
De definities: alles begint hier
Het examen test niet eerst je afstanden, het test je woordenschat. Drie woorden lijken op elkaar, maar betekenen niet hetzelfde. Zolang je ze niet uit elkaar houdt, ga je de mist in.
Stilstaan
Stilstaan is je voertuig niennger dan nodig stil zetten om personen te laten in- of uitstappen, of om goederen te laden of lossen. De kern: het is de handeling die telt, niet de duur. Een verhuis die een uur duurt, blijft stilstaan zolang je echt aan henden bent. Je blijft verbonden met je voertuig en met de bezigheid die aan de gang is.
Parkeren
Parkeren is je voertuig langer stil zetten dan die nodige tijd. Je zet je wagen aan de kant en gaat iets anders doen: je parkeert. Zodra je niemand en niets meer laadt, sta je niet meer stil, dan parkeer je.
Het voertuig dat tot stilstand is gebracht
Let op voor de valstrik. Een voertuig dat door het verkeer tot stilstand is gebracht (een rood licht, een file, een voorrang verlenen) staat volgens de wegcode niet stil en parkeert ook niet. De weg houdt je tegen. Jij beslist niet om te stoppen. De regels voor stilstaan en parkeren gelden op dat moment gewoon niet.
Het voertuig met pech
Een voertuig met pech staat evenmin stil of geparkeerd. Je hebt er niet voor gekozen. Je moet het signaleren (gevarendriehoek) en het zo snel mogelijk aan de kant zetten. De noodsignalisatie komt uitgebreid aan bod in module 11.
Waar parkeren: de opgelegde volgorde
De wegcode laat je niet vrij kiezen waar je je wagen zet. Hij legt een voorkeursvolgorde op. Je loopt de lijst af en stopt bij de eerste plaats die mogelijk is.
1. Eerst de berm
Je parkeert eerst op de berm. Binnen de bebouwde kom op de gelijkgrondse berm of de parkeerstrook. Buiten de bebouwde kom op alle bermen en op de parkeerstrook. Waarom die volgorde? Omdat je wagen buiten de rijbaan zetten het verkeer vrij laat en het risico verkleint.
2. Deels op de berm, als het moet
Is de berm niet breed genoeg, dan mag je deels op de berm en deels op de rijbaan gaan staan. Maar is er geen bruikbaar voetpad, dan moet je de voetgangers een vrije doorgang van minstens 1,5 meter laten. Waarom 1,5 meter? Dat is de breedte waarop een kinderwagen of iemand in een rolstoel voorbij kan zonder de rijbaan op te moeten.
3. Op de rijbaan, als laatste redmiddel
Is er geen bruikbare berm, dan parkeer je op de rijbaan, volgens de plaatsingsregels uit het volgende punt. Dat is de laatste keuze, nooit de eerste.
De parkeerstrook is een gelijkgrondse berm die is afgebakend met een doorlopende witte streep. Hoe je ze precies herkent, staat in module 01.
De plaatsingsregels op de rijbaan
Als je op de rijbaan moet parkeren, ligt je plaats niet vrij. Ze volgt eenvoudige regels, altijd bedoeld om de doorstroming niet te hinderen.
Tegen de rechterrand, in de rijrichting
Je gaat zo dicht mogelijk tegen de rechterrand staan, in de richting waarin je rijdt. Nooit links, behalve in een eenrichtingsstraat. Waarom rechts? Omdat tegen de rijrichting in parkeren je dwingt om het verkeer te kruisen om je op te stellen, en een voertuig oplevert dat de verkeerde kant op staat.
Eenrichtingsstraat: beide kanten
In een eenrichtingsstraat gaat iedereen dezelfde kant op, dus mag je rechts of links parkeren. Dat is de enige uitzondering op de rechterrand.
Evenwijdig, nooit dubbel geparkeerd
Je zet je evenwijdig met de rand, tenzij een markering iets anders oplegt (schuin of haaks). En nooit dubbel geparkeerd: een wagen naast een andere blokkeert een hele rijstrook en brengt iedereen die eromheen moet in gevaar. Het inhalen van een stilstaand voertuig komt aan bod in module 06.
De afstanden bij het parkeren
Je laat plaats voor de anderen. Er moet minstens 1 meter ruimte zijn tussen jouw voertuig en dat vóór of achter je. En de regel gaat verder dan die ene meter: je mag nergens parkeren waar je een ander voertuig belet zijn plaats te bereiken of te verlaten. Ook op meer dan een meter ben je in fout als je hem klemzet.
Op een rijbaan met eenrichtingsverkeer moet je een vrije doorgang van minstens 3 meter laten, zodat het verkeer kan blijven passeren.
Stilstaan noch parkeren: de 3 zones
Dit is de strengste familie: de plaatsen waar je niet mag stilstaan én niet mag parkeren. Om ze te onthouden, leer je ze niet door elkaar. Rangschik ze volgens waar het verbod geldt. Precies dat test het examen: overal, op de rijbaan én de berm, of enkel op de rijbaan. En onthoud: er wordt nooit zomaar iets verboden, het gaat altijd om het zicht, de doorgang of de veiligheid.
Overal verboden (rijbaan, berm, alles)
- Overal waar je zonder noodzaak een gevaar of hinder vormt: het algemene principe dat boven al de rest staat.
- Op de autosnelweg en de autoweg: niet op de rijbaan, niet op de opritten, niet op de pechstrook. De pechstrook is er voor echte noodgevallen, niet voor een pauze.
- Op de voetpaden: die zijn voor de voetgangers, een wagen duwt ze de rijbaan op.
- Op een verhoogde inrichting (verkeersdrempel), behoudens andere signalisatie: erop parkeren breekt de functie en ontneemt het zicht.
- Op de fietspaden, en op minder dan 5 meter van de plaats waar ze op de rijbaan aansluiten: een wagen dwingt de fietser daar het verkeer in te zwenken.
- Op de dambordmarkeringen en de verdrijvingsvlakken: dat zijn zones die vrij moeten blijven om het verkeer vlot te houden.
- Op de verkeersgeleiders.
- Op de sporen (tram- of treinsporen): stilstaan en parkeren verboden. Enkel gedwongen tot stilstand komen aan een licht, op sporen die in de rijbaan liggen, kan nog, zolang het licht duurt.
- Op een overweg: levensgevaarlijk. Het is een overtreding van de 4e graad, een zware fout op het examen. ZF
- Op de voorbehouden rijstroken (bus, bijzondere overrijdbare bedding).
- Op de parkeerplaatsen voor personen met een handicap zonder de speciale kaart.
De valstrik: fietspad of fietssuggestiestrook
Let op, de twee zijn niet gelijk. Op het fietspad (gescheiden van de rijbaan) zijn stilstaan en parkeren verboden. Maar op de fietssuggestiestrook (gewoon een fiets op de rijbaan geschilderd, zonder scheiding) is parkeren toegelaten, want die strook hoort bij de rijbaan. Hoe je het verschil herkent, staat in module 01.
Verboden op de RIJBAAN ÉN de BERM
- Op de oversteekplaatsen voor voetgangers en voor fietsers.
- Op een kruispunt zonder verkeerslichten: op minder dan 5 meter van het verlengde van de rand van de dwarsweg. Waarom 5 m? Om de hoek vrij te houden en iedereen zicht te geven op de straat die hij kruist.
- Op een kruispunt met verkeerslichten: op minder dan 20 meter vóór de lichten. Omdat het de bedoeling is ze niet te verbergen, is er een uitzondering: staat het licht op 1,65 m of hoger boven de rijbaan, dan kan je wagen het niet verbergen en geldt de regel van 20 meter niet.
- Op minder dan 20 meter van de verkeerslichten en verkeersborden die buiten de kruispunten staan, als je voertuig ze zou verbergen.
Enkel op de RIJBAAN verboden
- Op minder dan 5 meter vóór een oversteekplaats voor voetgangers (aan de kant waar je aankomt): een wagen die er vlak voor staat, verbergt een kind dat wil oversteken.
- Onder bruggen (op de rijbaan) en in tunnels, behoudens andersluidende aanwijzing.
- In de nadering van de top van een helling en in een onoverzichtelijke bocht: een voertuig verscholen achter een verhoging of een bocht, dat is een zekere aanrijding voor wie eraan komt.
- Ter hoogte van de wegmarkeringen die het verbieden (de gele onderbroken streep aan de rand, zie verderop). Het herkennen van de markeringen staat in module 02.
De valstrik van de brug: op een brug parkeren mag. Enkel onder een brug, op de rijbaan, is het verboden. En onder een brug, op de berm of een parkeerstrook, mag het weer. Het is niet de brug die het verbiedt, het is je plaats op de rijbaan op een plek zonder zicht.
Parkeren verboden maar stilstaan toegelaten
Tweede familie, de meest verraderlijke: de plaatsen waar je mag stilstaan (iemand of iets afzetten of laden) maar niet mag parkeren (blijven staan). Het onderscheid stilstaan/parkeren uit punt 5.0 wordt hier beslissend.
- Voor garagepoorten en opritten: je mag stilstaan om iemand af te zetten, je mag er niet blijven staan. De logica: wie zijn wagen wil buitenrijden, niet blokkeren. Eén bekende uitzondering geldt voor de bewoner voor zijn eigen garage.
- Daar waar voetgangers en fietsers de rijbaan moeten gebruiken om een hindernis te omzeilen: daar parkeren duwt ze nog verder het verkeer in.
- Op minder dan 15 meter aan weerszijden van een bus- of tramhalte (ter hoogte van het bord of de markeringen): de bus moet aan het voetpad kunnen aanleggen en weer vertrekken.
- Voor de toegangen tot eigendommen, de nooduitgangen en de brandkranen: de toegang blijft vrij voor de hulpdiensten.
- Daar waar je spoorvoertuigen zou hinderen (de tram): de tram kan niet om je heen.
- Buiten de bebouwde kom, op de rijbaan van een voorrangsweg (het ruitbord): parkeren is er verboden, want een voorrangsweg moet vlot en vrij blijven.
- Overal waar de overblijvende vrije doorgang smaller zou worden dan 3 meter: onder die drempel raakt het verkeer er niet meer voorbij, dus parkeren verboden.
- In een woonerf of erf, buiten de gemarkeerde plaatsen: je parkeert er alleen waar de grond of een bord het toelaat, nooit zomaar ergens langs de straat.
- Op een rijbaan met een centrale rijstrook: de middenstrook moet vrij blijven voor het verkeer.
- Op een rijbaan die in rijstroken verdeeld is, behalve op de voorziene plaatsen: een strook waar een wagen staat, is een strook minder.
- Buiten de bebouwde kom, aan de linkerkant van een rijbaan met gescheiden rijrichtingen: je zou tegen het verkeer in staan, met de rug naar het verkeer.
- Daar waar een tegenover geparkeerd voertuig het kruisen onmogelijk zou maken: met zijn tweeën versper je de straat.
- Langs een gele onderbroken streep aan de rand van de rijbaan: parkeren verboden, stilstaan toegelaten. Hoe je die markering herkent, staat in module 02.
De verkeersborden voor stilstaan en parkeren
Na de algemene regels komt de tweede vraag van de methode: is er een verkeersbord dat het verbiedt of regelt? Hier passen we de borden toe; hoe je ze precies herkent, staat in module 02.
Eén balk of twee: het verschil dat alles bepaalt
Eén balk: parkeren verboden, stilstaan toegelaten. Eén enkel verbod.
Twee gekruiste balken: stilstaan noch parkeren. Allebei verboden.
Ezelsbruggetje: één streep: één verbod (parkeren); twee strepen: twee verboden (stilstaan én parkeren). Tel de strepen en je hebt het antwoord.
Waar en tot waar ze gelden
Het bord geldt aan de kant waar het staat, vanaf zijn plaats en tot aan het volgende kruispunt, behoudens andersluidende aanwijzing. Aanvullende pijlen geven het begin, de herhaling in het midden of het einde van het verbod aan. Sommige dragen data of uren (verbod van de 1e tot de 15e, of op bepaalde uren) of regelen beurtelings parkeren.
Parkeren toegelaten en geregeld
De blauwe vierkante borden met een grote witte P doen het omgekeerde: ze laten parkeren toe en regelen het. Ze kunnen het voorbehouden aan auto's, aan bepaalde voertuigen, of het opleggen op het voetpad of de berm wanneer het bord dat toont. Er bestaat ook een zonebord voor parkeren, met zijn bord voor het einde van de zone.
De blauwe zone en de parkeerschijf
De blauwe zone is een echte klassieker op het examen, want ze combineert een bord, een schijf en een tijdsduur. Het principe: parkeren is er beperkt in de tijd, en de parkeerschijf is verplicht.
Je parkeerschijf instellen
Je legt je parkeerschijf achter de voorruit, ingesteld op het streepje dat volgt op je aankomstuur. Kom je aan om 10.20 uur, dan zet je hem op 10.30 uur. De standaardduur is 2 uur, tenzij het bord iets anders aangeeft.
Wanneer ze geldt
De blauwe zone geldt in de regel op werkdagen, tijdens de uren die op het bord staan. Daarbuiten geldt de schijf niet. Eén ding is uitdrukkelijk verboden: je schijf verzetten, dat wil zeggen terugkomen om het uur vooruit te draaien en langer te blijven staan. De duur is een maximum, geen teller die je weer op nul zet.
Parkeerautomaten en betalend parkeren
Elders is parkeren betalend: je neemt een ticket aan de parkeerautomaat en legt het achter de voorruit. Bewoners hebben vaak een bewonerskaart die hen in hun buurt vrijstelt van betaling.
De parkeerkaart voor personen met een handicap
De parkeerkaart voor personen met een handicap laat je toe te parkeren op de voorbehouden plaatsen en geeft elders voordelen. Daartegenover staat dat die plaatsen absoluut gerespecteerd worden: er zonder kaart parkeren betekent iemand die ze echt nodig heeft, in de kou zetten.
Je voertuig veilig verlaten
Parkeren houdt niet op wanneer de wagen stilstaat. Wat je doet bij het uitstappen telt evengoed, en het examen test dat.
Voor je de wagen verlaat
Je legt de motor af, je trekt de handrem aan, je haalt de sleutel uit het contact en je doet op slot. Een voertuig dat je achterlaat, moet beveiligd zijn, niet zomaar neergezet.
Op een helling: de wielen indraaien
Op een helling mag de wagen niet naar het verkeer wegrollen als de rem het begeeft. Je draait de wielen in en zet de wagen in versnelling (of in stand P bij een automaat). Bergaf draai je de wielen naar het voetpad: rolt de wagen, dan botst hij tegen de boordsteen in plaats van de straat af te rollen. Bergop draai je de wielen naar de rijbaan: rolt hij achteruit, dan botst hij eveneens tegen de boordsteen.
Je portier veilig openen
Voor je je portier aan de straatkant opent, kijk je in je spiegels en over je dode hoek, die zone die de spiegels niet tonen en die je enkel ziet door je hoofd te draaien (techniek uitgewerkt in module 06). Een portier dat opengaat zonder te kijken, dat is dooring: een fietser die aankomt, knalt vol tegen het portier. Een simpele truc, de dutch reach: open met je andere hand (de rechterhand voor het linkerportier). Die beweging draait je bovenlichaam en je blik vanzelf naar achteren, en zo zie je de fietser komen.
De motor nienten draaien
De motor zonder reden stationair laten draaien is slecht voor het milieu en is een overtreding. Wagen geparkeerd, motor af.
De tijdsduren en bijzondere gevallen
Een paar tijdslimieten en verbodsbepalingen vervolledigen de module. Ze komen minder vaak voor, maar ze zijn makkelijk te onthouden en leveren zekere punten op.
- Een voertuig met pech mag niennger dan 24 uur op de openbare weg blijven staan.
- Een reclamevoertuig (waarvan de functie is reclame te dragen) mag niennger dan 3 uur op dezelfde plaats parkeren.
- Het is verboden een voertuig te koop of te huur op de openbare weg uit te stallen.
- Aanhangwagens die van hun trekkend voertuig zijn losgekoppeld, volgen bijzondere parkeerregels.
De signalisatie van een voertuig met pech (gevarendriehoek, waarschuwingsknipperlichten) en wat je precies moet doen, staat uitgebreid in module 11.
Sancties en ambtshalve takelen
Fout parkeren heeft niet altijd dezelfde gevolgen. Je moet onderscheiden wat hindert van wat gevaar oplevert, en de boete van de gewone retributie.
Hinderlijk of gevaarlijk
Hinderlijk parkeren en gevaarlijk parkeren staan niet op hetzelfde niveau. Hoe meer risico het parkeren oplevert (op een overweg, in een onoverzichtelijke bocht), hoe hoger de graad van de overtreding. De graden in detail staan in module 09.
Het ambtshalve takelen
Wanneer een voertuig echt hindert of gevaar oplevert, kan de politie het ambtshalve laten wegslepen, op kosten van de bestuurder. Je vindt je wagen terug op het depot en betaalt het wegslepen bovenop de boete.
Boete of retributie
Twee dingen om niet te verwarren. Een strafrechtelijke boete bestraft een overtreding van de wegcode (verboden of gevaarlijk parkeren). Een parkeerretributie is een bedrag dat de gemeente vraagt wanneer je de parkeerautomaat niet betaald hebt of de blauwe zone overschreden hebt: dat is geen strafrechtelijke overtreding, het is de prijs van het niet-betaalde parkeren.
Eindsamenvatting
De hele module past in deze tabel en deze paar richtpunten. Onthoud je deze pagina, dan kun je altijd zeggen of een voertuig daar mag staan.
De dubbele tabel
Voor elke plaats: mag je stilstaan? mag je parkeren? en waar geldt het verbod?
| Plaats | Stilstaan | Parkeren | Waar het verbod geldt |
|---|---|---|---|
| Op een oversteekplaats voor voetgangers | Nee | Nee | Rijbaan + berm |
| Op minder dan 5 m vóór een oversteekplaats | Nee | Nee | Rijbaan |
| Op een fietspad (en op 5 m van de aansluiting) | Nee | Nee | Overal |
| Op een fietssuggestiestrook (fiets geschilderd) | Ja | Ja | Toegelaten (hoort bij de rijbaan) |
| Hoek van het kruispunt, op minder dan 5 m van de dwarsrand | Nee | Nee | Rijbaan + berm |
| Op minder dan 20 m van lichten en borden | Nee | Nee | Rijbaan + berm |
| Op een voetpad | Nee | Nee | Overal |
| Op een overweg | Nee | Nee | Overal (zware fout) ZF |
| Onder een brug, op de rijbaan | Nee | Nee | Rijbaan |
| Op een brug | Ja | Ja | Toegelaten |
| Voor een garagepoort | Ja | Nee | Enkel parkeren verboden |
| Op minder dan 15 m van een bushalte | Ja | Nee | Enkel parkeren verboden |
| Langs een gele onderbroken streep | Ja | Nee | Enkel parkeren verboden |
| Buiten de bebouwde kom, op een voorrangsweg | Ja | Nee | Enkel parkeren verboden |
| Bord met één balk | Ja | Nee | Aan de kant waar het staat, tot het kruispunt |
| Bord met twee balken | Nee | Nee | Aan de kant waar het staat, tot het kruispunt |
De methode, in 3 vragen
Stel je bij elke plaats deze drie vragen, in deze volgorde. De eerste die “nee” antwoordt, beslist.
- Hinder ik of veroorzaak ik gevaar? Zicht ontnomen, doorgang versperd, een weggebruiker het verkeer in geduwd. Zo ja, dan is het nee, en daar is geen bord voor nodig.
- Is er een bord of een markering die het verbiedt? Een bord met één of twee balken, een onderbroken gele streep, een voorbehouden plaats.
- Sta ik correct? Zo dicht mogelijk bij de rechterrand, in de rijrichting, evenwijdig, en naast de rijbaan als de berm het toelaat.
De cijfers die je vanbuiten moet kennen
- 5 m: vóór een oversteekplaats, aansluiting van een fietspad, hoek van een kruispunt.
- 15 m: aan weerszijden van een bus- of tramhalte.
- 20 m: van de lichten en borden die buiten een kruispunt staan.
- 1,5 m: doorgang voor de voetgangers wanneer je op de berm staat.
- 3 m: minimale vrije doorgang die je op de rijbaan laat.
- 24 u: maximale duur voor een voertuig met pech.
- 3 u: maximale duur voor een reclamevoertuig.
* Bronnen van deze module: koninklijk besluit van 1 december 1975, artikelen 2 (definities van stilstaan en parkeren), 23 (plaatsing van het stilstaande en geparkeerde voertuig), 24 (plaatsen waar stilstaan en parkeren verboden zijn), 25 (plaatsen waar enkel parkeren verboden is), 27 (beperkte parkeertijd en schijf) en 27bis (voorbehouden plaatsen voor personen met een handicap).
Theorie gelezen? Test jezelf.
Ga de uitdaging aan met de quiz van deze module — verbeterde vragen, examenstijl.
Doe de quiz van de module →