
Wat is een manoeuvre
Deze hele module draait om één woord: de manoeuvre. Begrijp het nu, en de helft van de vragen valt vanzelf om.
Een manoeuvre is een handeling waarbij je voorrang moet verlenen aan alle andere weggebruikers. Wie een manoeuvre uitvoert, heeft nooit voorrang. Op die regel bestaan drie uitzonderingen, en ze staan in het reglement: de rijbaan oprijden aan het einde van een fietspad terwijl je rechtdoor blijft rijden, invoegen volgens het ritssysteem in een file, en de bewegingen van de motorrijder binnen de breedte die hij mag innemen.
De lijst van de manoeuvres
Dit zijn manoeuvres, en dus zetten ze je in de positie waarin je aan iedereen voorrang verleent:
- wegrijden na stilstaan of parkeren,
- van rijstrook veranderen,
- de rijbaan oversteken,
- rechtsomkeer maken,
- achteruitrijden,
- een parkeerplaats oprijden of verlaten,
- een eigendom oprijden of verlaten,
- een voetpad of fietspad oversteken om de rijbaan op te rijden,
Wat GÉÉN manoeuvre is
Omgekeerd voer je géén manoeuvre uit wanneer je gewoon je rijstrook volgt, wanneer je een kruispunt rechtdoor oversteekt, of wanneer je aan een verkeerslicht stopt. Dan gelden je gewone voorrangsregels. Net daar zit het verschil: een manoeuvre doet je de voorrang verliezen, gewoon verder rijden laat ze je behouden.
Het principe van de manoeuvre staat in module 03 (de voorrang). Hier leer je het hóe van elke manoeuvre, niet het voorrangsprincipe zelf, dat ken je al.
De methode van de drie stappen, de rode draad van de module
Vóór elke manoeuvre, zonder uitzondering, doorloop je drie stappen, altijd in deze volgorde:
- Ik kijk: binnenspiegel, buitenspiegel, en dan de schouderblik naar de dode hoek.
- Ik geef aan: richtingaanwijzer, vroeg genoeg zodat de anderen het begrijpen vóór je beweegt.
- Ik voer uit: alleen als het veilig is, zonder iemand te doen remmen of uitwijken.
De controles en de dode hoek
De eerste stap van elke manoeuvre is kijken. Maar dan wel op de juiste plaats, want één punt ontsnapt aan al je spiegels.
De drie spiegels
- De binnenspiegel toont je wat recht achter je aankomt, door de achterruit.
- De linkerbuitenspiegel dekt de achterkant links en de linkerrijstrook.
- De rechterbuitenspiegel dekt de achterkant rechts en de rechterrijstrook.
Je stelt ze goed af terwijl je stilstaat, in je gewone zithouding: je mag net een streepje van je eigen koetswerk zien aan de binnenrand van elke buitenspiegel, niet meer. De rest van de spiegel dient om de weg te zien.
De dode hoek, het punt dat geen enkele spiegel ziet
Tussen wat je buitenspiegel ziet en wat je oog naar voren ziet, blijft er een zone die niets dekt: dat is de dode hoek. Een auto, een motor of een fietser kan zich daar bevinden, onzichtbaar voor jou, net voor je van rijstrook verandert of afslaat.
De enige beweging die de dode hoek oplost, is de schouderblik, naar de kant waar je naartoe gaat. Een spiegel volstaat nooit. Die blik duurt een halve seconde en redt levens.
De dode hoek van vrachtwagens en bussen, veel groter
Een vrachtwagen heeft énorme dode hoeken, vooral rechts en vlak voor de cabine. Een fietser of voetganger kan volledig uit het zicht van de chauffeur verdwijnen. Onthoud de overlevingsregel, ze is goud waard, te voet én op de fiets:
Zie je de spiegel van de vrachtwagen niet, dan ziet de chauffeur jou niet. Ga aan een kruispunt nooit rechts naast een vrachtwagen staan: net daar gaat hij afslaan, en net daar ben je onzichtbaar.
In België bestaat er, anders dan in Frankrijk, géén verplichting om een dodehoeksticker achteraan op vrachtwagens te kleven. Wat wél verplicht is, zijn de hulpmiddelen die de dode hoek van de vrachtwagen verkleinen: groothoekspiegels, dodehoekspiegels, camera's. Verwar die twee niet op het examen.
Het inhalen
Inhalen is voorbij een weggebruiker rijden die in dezelfde richting rijdt als jij. Het is de meest riskante manoeuvre van de module: verkeerd uitgevoerd, doodt ze frontaal.
De basisregel: je haalt links in
Inhalen doe je links. Je wijkt uit naar links, je haalt in, je gaat weer naar rechts. Dat is de algemene regel; de gevallen van rechts inhalen zijn precieze uitzonderingen die verderop aan bod komen.
De procedure, op volgorde
Een net inhaalmanoeuvre volgt altijd deze stappen, zonder er één over te slaan:
- Controleer dat het mag: geen doorlopende streep, geen verbodsbord, geen van de verboden situaties die verderop staan.
- Controleer het zicht: je moet ver genoeg vooruit kunnen kijken om in te halen en weer in te voegen zonder risico tegenover een tegenligger.
- Kijk achter je en in de linkerdodehoek: niemand is jou al aan het inhalen.
- Zet je linkerrichtingaanwijzer aan, op tijd.
- Wijk uit en haal in met voldoende zijdelingse afstand, zonder het ingehaalde voertuig te doen vertragen.
- Kijk in je binnenspiegel: je voegt pas weer in wanneer je het ingehaalde voertuig volledig in je spiegel ziet.
- Rechterrichtingaanwijzer, en voeg dan soepel weer in, zonder hem af te snijden.
De zijdelingse afstand
De afstand opzij moet voldoende en veilig blijven. Voor een fietser of voetganger staat ze zelfs in cijfers, namelijk 1 m binnen de bebouwde kom en 1,5 m erbuiten: kan je die ruimte nienten, dan haal je niet in, je wacht.
De plichten van wie ingehaald wordt
Ingehaald worden brengt ook plichten mee. Wie ingehaald wordt, moet zo veel mogelijk naar rechts opschuiven en mag niet versnellen. Vertragen om het inhalen te vergemakkelijken blijft toegelaten: versnellen is wat verboden is. Versnellen terwijl je ingehaald wordt, is een zware gedragsfout: je zet wie inhaalt klem tegenover het tegemoetkomende verkeer. ZF
De inhaalverboden
Het is verboden om links een gespan, een motor of een auto in te halen in deze situaties, elk met zijn reden:
- als het zicht onvoldoende is om de tegenliggers ver genoeg te zien (blinde bocht, top van een helling, mist), behalve als je kan inhalen zonder de doorlopende witte streep te overschrijden. Reden: je haalt in naar een zone die je niet ziet. Inhalen zonder voldoende zicht is een zware fout. ZF
- bij het naderen van en op een overweg zonder slagbomen en niet geregeld door lichten. Reden: je beneemt het zicht op de trein en je riskeert vast te komen te staan op de sporen.
- bij het naderen van een kruispunt waar de voorrang van rechts geldt, en op de andere kruispunten voor wie voorrang moet verlenen. Reden: het inhalen verbergt een weggebruiker die opdaagt.
- bij het naderen van een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers die niet door een bevoegd persoon of lichten geregeld wordt.
- als je een doorlopende streep zou moeten overschrijden
- op een verkeersdrempel: je haalt niet in op een bult die het zicht ontneemt.
- bij neerslag, op de autosnelweg, de autoweg en wegen met vier rijstroken of meer, voor voertuigen voor goederenvervoer van meer dan 7,5 t: de opspattende waterwolk verblindt wie ingehaald wordt.
De uitzonderingen aan het kruispunt: inhalen blijft toegelaten als je op een voorrangsweg rijdt, als het kruispunt geregeld wordt door een bevoegd persoon of door lichten, en op een rotonde. Het verbod geldt alleen voor wie geen voorrang heeft.
De meest geteste valstrik: het voertuig dat stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers
Dit is de vraag die bijna elke sessie terugkeert. Het is verboden om een voertuig in te halen dat stopt of vertraagt voor een oversteekplaats voor voetgangers (waar geen bevoegd persoon en geen lichten staan). Waarom? Omdat dat voertuig misschien een voetganger verbergt die al oversteekt: door het in te halen, zou je recht op iemand afgaan die je nog niet ziet. Je wacht erachter.
De inhaalborden
Vier borden regelen het inhalen: het inhaalverbod,
het einde ervan,
het verbod voor voertuigen voor goederenvervoer van meer dan 3,5 ton, en zijn eindbord, hetzelfde maar doorstreept. Belangrijk: het eerste geldt alleen voor gespannen en voor voertuigen met meer dan twee wielen. Onder dat bord mag je dus altijd een tweewieler inhalen. En geen van die verboden geldt voor het inhalen van een fiets.
De gevallen van rechts inhalen
Rechts inhalen blijft de uitzondering, in welbepaalde gevallen:
- wanneer het in te halen voertuig heeft aangegeven dat het links wil afslaan en al naar links is uitgeweken: dan rijd je het rechts voorbij.
- bij het rijden in files: als jouw file sneller opschuift dan een andere, is dat geen inhalen in de strikte zin, maar volgt ieder gewoon zijn file. Verwar “rechts inhalen” (verboden buiten de uitzonderingen) niet met “sneller rijden in je eigen file” (normaal in druk verkeer).
- voor de tram, die je rechts inhaalt, of hij nu rijdt of stilstaat om reizigers te laten instappen. Links alleen als de doorgang rechts te smal is, als er een voertuig stilstaat of als een vast obstakel het belet, en in eenrichtingsstraten wanneer het verkeer het vereist.
Dubbel inhalen: een voertuig inhalen dat zelf inhaalt
Een kort maar getest geval: wat als je een voertuig wil inhalen dat zélf aan het inhalen is?
De regel
Een voertuig inhalen dat inhaalt, is dubbel inhalen, en dat is in principe verboden. Reden: drie voertuigen naast elkaar op een weg met twee rijstroken, dat is de gegarandeerde frontale botsing met de tegenligger.
De twee gevallen waarin het mag
- wanneer de rijbaan minstens drie rijstroken in jouw rijrichting telt: er is plaats.
- wanneer wat de ander aan het inhalen is een tweewieler is (fiets, tweewielige bromfiets, tweewielige motor). Reden: om een fiets voorbij te steken moet hij niet ver uitwijken, en blijft er breedte over om jou door te laten.
Lees goed over wie het gaat. Het is niet het voertuig dat jij inhaalt dat een tweewieler moet zijn, maar datgene wat hij inhaalt. Dus: een auto haalt een fietser in, jij mag die auto inhalen. Een auto haalt een andere auto in, dan mag het niet. De wettekst zegt letterlijk: “wanneer de bestuurder die moet worden ingehaald zelf een ander voertuig inhaalt dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets”.
Een motor met zijspan heeft meer dan twee wielen: het is geen tweewieler. Haalt het voertuig voor jou een zijspan in, dan blijft dubbel inhalen dus verboden, behalve op een rijbaan met drie rijstroken of meer. Het criterium “meer dan twee wielen” is hetzelfde als bij het inhaalverbodsbord.
Het kruisen
Kruisen is een weggebruiker tegenkomen die uit de tegenovergestelde richting komt. Anders dan het inhalen is het geen manoeuvre, maar het vraagt plaats en methode.
De regel: je kruist rechts
Kruisen doe je rechts: ieder houdt zijn rechterrand aan en laat een voldoende zijdelingse afstand. Op sommige kruispunten regelen pijlen op de grond het kruisen: die volg je. Zonder pijlen kruis je rechts.
Wat je niet mag gebruiken om te kruisen
Om plaats te maken, mag je niet op de denkbeeldige rand van de rijbaan komen, niet op een fietspad en niet op een voetpad: die ruimtes zijn niet van jou. De enige ruimte die getolereerd wordt, als de rijbaan écht te smal is, zijn de gelijkgrondse berm en de zijstrook, op voorwaarde dat je niemand in gevaar brengt.
Wanneer een hindernis aan jouw kant ligt
Als een hindernis (geparkeerde auto, werf, wegversmalling) jouw helft van de rijbaan blokkeert, is het aan jou om te vertragen en, als het moet, te stoppen om wie tegemoetkomt te laten passeren. Regelen borden de doorgang, dan is de rechterpijl op het bord de jouwe: rood verleen je voorrang, wit mag je gaan.
Wanneer kruisen onmogelijk is
De Belgische wetgeving wijst niemand aan volgens de helling: de regel “wie daalt rijdt achteruit” is Frans, ze bestaat hier niet. De enige regel die geldt is die van de hindernis: wie zijn weg versperd ziet, vertraagt en stopt zo nodig om de tegenligger door te laten. Moet een van beiden achteruit, dan is dat een manoeuvre, en wie achteruitrijdt verleent voorrang aan iedereen.
Van richting veranderen: afslaan
Afslaan is van richting veranderen. Let op een nuance die telt: het is geen manoeuvre in de zin van het reglement, en je verliest dus je voorrang niet door af te slaan. Rijd je op een voorrangsweg, dan blijf je voorrang hebben. Maar je verleent wel voorrang aan drie categorieën: aan de tegenliggers wanneer je links afslaat, aan de weggebruikers op de andere delen van dezelfde weg, voetpad en fietspad, en aan de voetgangers die de straat oversteken die je inrijdt. Je past telkens de drie stappen toe.
Rechts afslaan
- Ik kijk en ik ga tijdig rechts staan, dicht tegen de rechterrand.
- Ik geef aan met de rechterrichtingaanwijzer, op tijd.
- Ik controleer de rechterdodehoek: de fietser die rechts langs je rijdt, is gevaar nummer één.
- Ik voer uit: ik sla kort af, aan matige snelheid, en verleen voorrang aan de voetgangers die de straat oversteken die ik inrijd.
De dodelijke valstrik bij het rechts afslaan is de fietser die rechts naast je opschuift terwijl je afslaat. Een fietser de pas afsnijden bij het rechts afslaan is een zware fout. ZF De schouderblik naar de rechterdodehoek is niet optioneel.
Vanaf welke rijstrook afslaan
Wordt er in files gereden, in een bebouwde kom met gemarkeerde stroken, dan mag je rechts alleen afslaan vanaf de rechterstrook en links alleen vanaf de linkerstrook. Op henatste moment nog opschuiven om af te slaan mag niet: de keuze van strook gebeurt vooraf.
Links afslaan
- Ik kijk en ik ga tijdig naar het midden van de rijbaan staan, zonder de tegenliggers te hinderen.
- Ik geef aan met de linkerrichtingaanwijzer.
- Ik verleen voorrang aan de voertuigen die uit de tegenovergestelde richting komen op de rijbaan die ik verlaat.
- Ik voer uit: ik sla ruim af om de nieuwe weg langs de rechterkant op te rijden, zonder de bocht af te snijden, en verleen voorrang aan de voetgangers van de weg die ik inrijd.
Vanuit een straat met eenrichtingsverkeer ga je om links af te slaan zo ver mogelijk naar links staan, want er komt niemand tegemoet.
Het geval van twee voertuigen die tegenover elkaar staan en allebei links willen afslaan, komt aan bod in module 03.
Verwar een straat met eenrichtingsverkeer , waar je maar in één richting rijdt, niet met een gebod om rechtdoor te rijden (rond blauw gebodsbord). Onder een gebod om rechtdoor te rijden kunnen er perfect voertuigen tegemoetkomen. Dat zijn twee verschillende dingen, die vaak verward worden.
De richtingaanwijzers
De richtingaanwijzer is de tweede stap van elke manoeuvre: ik geef aan. Het is je enige manier om de anderen te zeggen wat je gaat doen vóór je het doet.
Wanneer aangeven
Je geeft altijd aan wanneer je:
- van richting verandert (afslaan),
- van rijstrook verandert,
- inhaalt en weer invoegt,
- wegrijdt na stilstaan of parkeren,
- stopt of aan de kant gaat staan,
- een rotonde verlaat (zie module 03).
Hoe aangeven
Je geeft vroeg genoeg aan zodat de anderen het begrijpen vóór je beweegt, en je stopt ermee zodra de manoeuvre voorbij is. Een richtingaanwijzer die na een bocht blijft knipperen, geeft verkeerde informatie en veroorzaakt ongevallen: dat is geen detail.
De richtingaanwijzer geeft aan, hij geeft geen enkel recht. Je richtingaanwijzer aanzetten maakt je niet voorrangsgerechtigd om in te voegen of van rijstrook te veranderen: je moet altijd voorrang verlenen als je manoeuvre iemand zou hinderen. De richtingaanwijzer informeert, hij dwingt niet.
Op de fiets geef je aan met de arm gestrekt in de gewenste richting. En als een richtingaanwijzer uitvalt, mag je je bedoeling met de arm aangeven tot hij hersteld is.
De plaats op de rijbaan
Waar plaats je je als je rijdt? De basisregel telt twee woorden: hou rechts.
Rechts houden
Elke bestuurder houdt zich zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan. Buiten de bebouwde kom en op de autosnelweg rijd je dus rechts, en links dient enkel om in te halen. Op de linkerrijstrook gaan hangen zonder in te halen hindert het verkeer en is een fout.
De keuze van rijstrook binnen de bebouwde kom
Binnen de bebouwde kom mag je de rijstrook kiezen die het best bij je bestemming past, maar alleen in twee welbepaalde gevallen: op een rijbaan met eenrichtingsverkeer verdeeld in rijstroken, en op een tweerichtingsrijbaan met minstens vier rijstroken (waarvan minstens twee per richting). Buiten die gevallen hou je rechts.
In alle gevallen rijd je nooit op twee rijstroken tegelijk: je gebruikt maar één rijstrook per keer.
Van rijstrook veranderen is een manoeuvre
Van rijstrook veranderen is een manoeuvre: je past de drie stappen toe (kijken, ook de dode hoek, aangeven, uitvoeren) en je verleent voorrang aan wie al op de beoogde rijstrook rijdt. Je gaat ook tijdig staan om van richting te veranderen, nooit met een late stuurbeweging.
De opgeblazen fietsopstelstrook
Aan een verkeerslicht kom je soms een opgeblazen fietsopstelstrook tegen, dat vak met een fiets erop, afgebakend door twee stopstrepen vlak voor het kruispunt. Bij rood plaatsen de fietsers zich er vóór de auto's, om goed gezien te worden en veilig te vertrekken. Jij, met de auto, stopt aan de eerste stopstreep, zonder ooit in het vak te rijden: die ruimte is voorbehouden voor de fietsers.
Het ritsen, de enige keer dat het omgekeerd is
Deze hele module herhaalt dat wie invoegt voorrang verleent. Er bestaat één geval waarin het net omgekeerd is, en het komt op het examen. Is het verkeer sterk vertraagd en eindigt een rijstrook, dan rijd je door tot helemaal aan het einde van je strook en schuif je er vlak voor de versmalling tussen, en het zijn de bestuurders op de doorlopende strook die je moeten laten invoegen, om beurten. Te vroeg invoegen is niet beleefd, het is in strijd met de regel. Het detail staat in module 03.
De reddingsstrook
Zodra er een file ontstaat op een rijbaan met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, moet je een doorgang voor de hulpdiensten vrijmaken, zonder op de sirene te wachten. Bij twee stroken schuift de linkse naar links en de rechtse naar rechts: de doorgang ontstaat in het midden. Bij drie of meer schuift alleen de linkerstrook naar links, alle andere naar rechts.
Motorrijders tussen de files
Een motorrijder mag tussen twee files rijden van stilstaande of traag rijdende voertuigen. Dat is geen inhalen. Twee grenzen: maximaal 50 km/u, en niet meer dan 20 km/u sneller dan de files waarlangs hij rijdt. Op de autosnelweg rijdt hij tussen de twee meest linkse stroken.
Busstroken en bijzondere beddingen
De busstroken en bepaalde overrijdbare beddingen (met dambordmarkering) zijn voorbehouden voor welbepaalde weggebruikers. Je rijdt er enkel op als je er het recht toe hebt. Het dambord herken je aan zijn witte vierkanten: je mag het dwarsen om af te slaan, er nooit op rijden of stilstaan. De carpoolstrook, voorbehouden voor voertuigen met meerdere inzittenden.
Het beperkt eenrichtingsverkeer, de Belgische bijzonderheid
Hier is een heel Belgische valstrik. Een straat met eenrichtingsverkeer kan opengesteld zijn voor fietsers in de tegenrichting: dat is het beperkt eenrichtingsverkeer (BEV). Je herkent het aan het bord verboden richting aangevuld met een onderbord met een fiets. Concreet gevolg voor jou: in een straat met eenrichtingsverkeer kan een fietser recht op je afkomen, helemaal wettelijk. Je verwacht het en je houdt rechts. Het is het onderbord onder het bord dat de straat voor fietsers in de andere richting openstelt.
De autosnelweg en de autoweg
De autosnelweg bundelt de manoeuvres aan hoge snelheid: invoegen, uitrijden, je plaats houden. Een fout kost er duur, en meerdere ervan zijn zware fouten.
Het invoegen
- Gebruik de héle invoegstrook om de snelheid van het verkeer te bereiken vóór je invoegt. Daar dient ze voor. Verwar die invoegsnelheid niet met de 70 km/u van de autosnelweg: dat is tegelijk een toegangsvoorwaarde voor je voertuig en een minimumsnelheid op de autosnelweg zelf, die wijkt voor file, regen of mist.
- Kijk: spiegel en vooral de schouderblik naar de linkerdodehoek.
- Geef aan met de linkerrichtingaanwijzer.
- Voeg zo vroeg mogelijk in, in een tussenruimte, zonder iemand te doen remmen.
Stop nooit aan het einde van de invoegstrook, behalve bij absolute noodzaak: een stilstaand voertuig daar is een dodelijke valstrik. Wie heeft voorrang? De regel is duidelijk: wie invoegt, verleent voorrang aan de voertuigen die al op de autosnelweg rijden. Een invoegstrook benader je zoals een kruispunt, een plaats waar je geen voorrang hebt. Net daarom moet je de snelheid van het verkeer bereikt hebben vóór je de rijbaan oprijdt: dan glip je in een tussenruimte zonder iemand te doen uitwijken.
De bestuurders die al op de autosnelweg rijden, mogen je het invoegen uit hoffelijkheid vergemakkelijken, door naar de middenrijstrook uit te wijken als die vrij is of door hun snelheid aan te passen, maar nooit door bruusk te remmen, en het is geen verplichting. Reken dus nooit op die hoffelijkheid: de verantwoordelijkheid voor het invoegen blijft de jouwe.
Het uitrijden
Om uit te rijden: ga tijdig rechts staan, zet de rechterrichtingaanwijzer aan, en vertraag pas eenmaal op de uitvoegstrook, niet eerder. Respecteer daarna de aangekondigde snelheid van de afrit, vaak veel lager dan ze lijkt. Aan verkeersknooppunten en meervoudige afritten lees je de borden op voorhand, zodat je niet op henatste moment moet invoegen.
Wie er niet op mag
De autosnelweg is verboden voor voetgangers, fietsers, bromfietsers, landbouwvoertuigen, vierwielers zonder passagiersruimte en elk voertuig dat gesleept wordt met een noodkoppeling. En wie er wel mag rijden, mag er alleen op- en afrijden op de daarvoor aangelegde plaatsen: nooit via een dienstdoorsteek in de middenberm.
Vrachtwagens hebben maar twee stroken
Telt de autosnelweg drie stroken of meer in jouw richting, dan mogen autocars, autobussen en alle voertuigen van meer dan 3,5 t alleen de twee rechtse stroken gebruiken. De meest linkse strook is voor hen verboden, behalve om een voorsorteringspijl te volgen.
De absolute verboden
Op de autosnelweg en op de autoweg zijn verboden en gelden als zware fouten: rechtsomkeer maken ZF, achteruitrijden ZF, tegen de rijrichting in rijden ZF, en stoppen of parkeren op de rijbaan ZF. De pechstrook is voorbehouden voor echte noodgevallen: bij panne ga je erop staan, je zet je alarmlichten aan, en je past de procedure van module 11 toe (gevarendriehoek, fluohesje, evacuatie). Tot slot rijd je niet nodeloos links: je voegt weer in zodra je klaar bent met inhalen.
De autoweg
De autoweg lijkt op de autosnelweg maar is er geen: hij kan kruispunten hebben en heeft niet dezelfde toegangsvoorwaarde: geen drempel van 70 km/u bij het oprijden, en geen minimumsnelheid. Zijn statuut en zijn snelheid staan uitgewerkt in module 04, en zijn borden in module 02. Wat de manoeuvres betreft, onthoud dat hij met de autosnelweg dezelfde absolute verboden deelt (rechtsomkeer maken, achteruitrijden, stoppen).
De tunnels
Een tunnel is een gesloten ruimte waar het minste incident snel ernstig wordt. De regels zijn er bijzonder, en het lezen van het bord doet veel kandidaten struikelen.
Het bord lezen, de klassieke valstrik
Het tunnelbord kondigt een tunnel van meer dan 500 meter aan. Let op de valstrik: het cijfer op het onderbord is de lengte van de tunnel, niet de afstand ernaartoe. Een onderbord 2 km kondigt dus een tunnel aan die 2 km lang is, geen tunnel op 2 km. Het cijfer op het bord is de lengte van de tunnel, niet de afstand ertot.
Voor je erin rijdt
- controleer je brandstofpeil, je wil er niet met panne komen te staan,
- zet je zonnebril af,
- steek je dimlichten aan,
- vergroot je veiligheidsafstand,
- luister naar de informatieradio als die aan de ingang aangeduid staat.
De truc van het zwarte gat: sluit vlak voor de ingang één oog een seconde, en open het weer eenmaal in de tunnel. Dat oog, al gewend aan het donker, geeft je meteen zicht terwijl het andere zich aanpast.
Eenmaal binnen
Hou je afstand, respecteer de signalen boven de rijstroken, en maak vooral nooit rechtsomkeer en rijd nooit achteruit ZF. De mistlichten hebben geen enkel nut in een heldere tunnel, laat ze uit. Meestal is er geen pechstrook in een tunnel.
Bij panne of ongeval
Gebruik bij voorkeur de SOS-noodtelefoon van de tunnel, op regelmatige afstanden geplaatst, anders het 112. De noodtelefoon van de tunnel geeft je positie meteen door aan de hulpdiensten.
Bij brand of rook
De richtlijn is precies en spaart levens:
- Ga zo ver mogelijk rechts staan en zet de motor af.
- Laat de sleutel op het contact: de hulpdiensten moeten je voertuig kunnen verplaatsen.
- Stap uit met alle passagiers, trek je fluohesje aan.
- Ga te voet naar de dichtstbijzijnde nooduitgang, zonder ooit naar je auto terug te keren.
Probeer nooit rechtsomkeer te maken in de rook.
De overweg
De overweg is de gevaarlijkste plaats van de weg: een trein kan niet op tijd remmen en niet uitwijken. Hier is de minste fout fataal, en de overtreding is de zwaarste van de wegcode.
Met slagbomen of met lichten
Je rijdt nooit op zodra het signaal begonnen is: knipperend rood licht aan, slagbomen die neergaan of gesloten zijn, geluidssignaal in werking. Ook al is de slagboom maar half neergelaten, ook al denk je dat je tijd hebt: je wacht.
Zonder slagbomen of lichten
Daar hangt alles van jou af: vertraag, kijk naar beide kanten, luister, en steek dan over zonder op de sporen te stoppen. Een overweg steek je in één beweging over, nooit door er stil te staan.
De gouden regel, die levens redt: rij nooit op als je niet zeker bent dat je er volledig aan de andere kant af kan. Is er een file of een rood licht net erna, dan wacht je vóór de overweg, nooit erop.
De verboden en het ergste geval
Op een overweg is het verboden om te stoppen of te parkeren, en om in te halen (zie 6.2). Als je voertuig stilvalt of vast komt te staan op de sporen, is de absolute prioriteit iedereen onmiddellijk te laten uitstappen, en daarna onmiddellijk 1711 te bellen, het noodnummer van Infrabel, dat de treinen kan laten stoppen. Dat nummer staat op een bord aan elke overweg. Pas daarna haal je, als het veilig kan, het voertuig weg.
Een gesloten overweg oversteken of oversteken ondanks het signaal is een overtreding van de 4e graad, de hoogste graad van de wegcode, met de zwaarste boetes en een mogelijk verval van het recht tot sturen. ZF De details over de graden van overtreding staan in module 09.
Achteruitrijden en rechtsomkeer maken
Twee lastige manoeuvres, omdat je er slecht zicht bij hebt en ze vaak zonder nadenken uitvoert. Het zijn manoeuvres: je verleent iedereen voorrang.
Achteruitrijden
Achteruitrijden is een volwaardige manoeuvre: je verleent voorrang aan alle weggebruikers. De procedure:
- Controleer alles rondom je VÓÓR je beweegt: achter je, aan de zijkanten, voor je.
- Kijk door de achterruit, door je om te draaien. De spiegels en de camera volstaan niet, ze hebben hun eigen dode hoeken.
- Rij traag achteruit, klaar om te stoppen bij de minste twijfel.
- Is het zicht nul, laat je dan helpen door iemand buiten de wagen.
Achteruitrijden moet uitzonderlijk blijven en over een korte afstand. Goed om weten: je bent vrijgesteld van de gordel zolang je een manoeuvre achteruit uitvoert, zodat je je vrij kan omdraaien.
Het is verboden op de autosnelweg en de autoweg ZF, in tunnels en op een overweg.
Rechtsomkeer maken
Rechtsomkeer maken is ook een manoeuvre: je verleent iedereen voorrang. Het is verboden:
- waar het zicht onvoldoende is (bocht, top van een helling),
- op de autosnelweg en de autoweg ZF,
- in een tunnel en op een overweg: het reglement verbiedt het niet met zoveel woorden, maar het gevaar sluit het uit, en de meeste van die tunnels liggen sowieso op een autosnelweg,
- waar een bord het verbiedt.
Het bord dat rechtsomkeer maken verbiedt, is een schijf met rode rand met een pijl die op zichzelf terugkeert, geldig tot en met het volgende kruispunt.
Eindsamenvatting
De hele module past in deze tabel. Weet je voor elke manoeuvre wat je controleert, wat je aankondigt en aan wie je voorrang verleent, dan heb je het thema beet.
De tabel van de manoeuvres
| Manoeuvre | Wat ik controleer | Wat ik aangeef | Aan wie ik voorrang verleen |
|---|---|---|---|
| Wegrijden | Spiegels + dode hoek | Richtingaanwijzer | Aan iedereen (manoeuvre) |
| Van rijstrook veranderen | Spiegel + dode hoek aan die kant | Richtingaanwijzer aan die kant | Aan de beoogde rijstrook |
| Inhalen | Zicht + linkerdodehoek | Linkerrichtingaanwijzer, dan rechter | Aan het tegemoetkomende verkeer |
| Rechts afslaan | Rechterdodehoek (fietser) | Rechterrichtingaanwijzer | Voetgangers + fietsers |
| Links afslaan | Tegemoetkomend verkeer | Linkerrichtingaanwijzer | Tegenliggers + voetgangers |
| Rechtsomkeer maken | Alles rondom + zicht | Richtingaanwijzer | Aan iedereen (manoeuvre) |
| Achteruitrijden | Alles rondom, achterruit | Richtingaanwijzer | Aan iedereen (manoeuvre) |
| Invoegen op de autosnelweg | Linkerdodehoek | Linkerrichtingaanwijzer | Aan het reeds aanwezige verkeer |
De tabel van de inhaalverboden
| Situatie | Inhalen | Waarom |
|---|---|---|
| Onvoldoende zicht (bocht, top van een helling) | Verboden | Je haalt in naar een zone die je niet ziet |
| Overweg zonder slagbomen of lichten | Verboden | Je verbergt de trein, je riskeert vast te komen te staan |
| Nadering van een kruispunt, zonder voorrang | Verboden | Een weggebruiker kan opdagen, verborgen door het inhalen |
| Voertuig dat stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers | Verboden | Een overstekende voetganger kan verborgen zijn |
| Kruispunt op een voorrangsweg, of geregeld door bevoegd persoon of lichten | Toegelaten | Je hebt voorrang, geen risico dat iemand opdaagt |
| Een tweewieler, onder een inhaalverbod | Toegelaten | Het geldt niet voor tweewielers |
| Dubbel inhalen op een rijbaan met drie rijstroken of meer | Toegelaten | Er is plaats, geen front met de tegenligger |
* Bronnen van deze module: koninklijk besluit van 1 december 1975, artikelen 9 (plaats op de rijbaan, reddingsstrook), 12 en 12bis (manoeuvres en ritsen), 13 (richtingaanwijzers), 15 (kruisen), 16 en 17 (inhalen en inhaalverboden), 19 (verandering van richting), 20 (overweg), 21 (autosnelweg), 22 (autoweg), 24 (stilstaan en parkeren) en 77 (markeringen); koninklijk besluit van 30 september 2005 voor de graden van overtreding.
Theorie gelezen? Test jezelf.
Ga de uitdaging aan met de quiz van deze module — verbeterde vragen, examenstijl.
Doe de quiz van de module →