Module 06 · Cursus · 13 secties · 28 min lezen

Rijden, inhalen & manoeuvreren

Dit is de module van de actie. Tot nu toe leerde je de weg lézen: de borden, de voorrang, de snelheid, het parkeren. Hier leer je handelen: inhalen, kruisen, afslaan, invoegen, achteruitrijden. Het is het meest praktijkgerichte module van het programma, en ook dat met de meeste zware fouten. Het goede nieuws: elke manoeuvre volgt altijd dezelfde volgorde. Onthoud die drie stappen, ze keren op elke pagina terug: ik kijk, ik geef aan, ik voer uit. Je kijkt (spiegels en dode hoek), je geeft aan (richtingaanwijzer, op tijd), je voert uit (alleen als het veilig is, zonder iemand te doen remmen). Op het einde van deze module voer je elke manoeuvre in de juiste volgorde uit, ken je alle verboden, en pakt geen enkele vraag je nog.

6.0
Stap 6.0 op 13

Wat is een manoeuvre

Deze hele module draait om één woord: de manoeuvre. Begrijp het nu, en de helft van de vragen valt vanzelf om.

Een manoeuvre is een handeling waarbij je voorrang moet verlenen aan alle andere weggebruikers. Wie een manoeuvre uitvoert, heeft nooit voorrang. Op die regel bestaan drie uitzonderingen, en ze staan in het reglement: de rijbaan oprijden aan het einde van een fietspad terwijl je rechtdoor blijft rijden, invoegen volgens het ritssysteem in een file, en de bewegingen van de motorrijder binnen de breedte die hij mag innemen.

De lijst van de manoeuvres

Dit zijn manoeuvres, en dus zetten ze je in de positie waarin je aan iedereen voorrang verleent:

  • wegrijden na stilstaan of parkeren,
  • van rijstrook veranderen,
  • de rijbaan oversteken,
  • rechtsomkeer maken,
  • achteruitrijden,
  • een parkeerplaats oprijden of verlaten,
  • een eigendom oprijden of verlaten,
  • een voetpad of fietspad oversteken om de rijbaan op te rijden,

Wat GÉÉN manoeuvre is

Omgekeerd voer je géén manoeuvre uit wanneer je gewoon je rijstrook volgt, wanneer je een kruispunt rechtdoor oversteekt, of wanneer je aan een verkeerslicht stopt. Dan gelden je gewone voorrangsregels. Net daar zit het verschil: een manoeuvre doet je de voorrang verliezen, gewoon verder rijden laat ze je behouden.

Het principe van de manoeuvre staat in module 03 (de voorrang). Hier leer je het hóe van elke manoeuvre, niet het voorrangsprincipe zelf, dat ken je al.

De methode van de drie stappen, de rode draad van de module

Vóór elke manoeuvre, zonder uitzondering, doorloop je drie stappen, altijd in deze volgorde:

  1. Ik kijk: binnenspiegel, buitenspiegel, en dan de schouderblik naar de dode hoek.
  2. Ik geef aan: richtingaanwijzer, vroeg genoeg zodat de anderen het begrijpen vóór je beweegt.
  3. Ik voer uit: alleen als het veilig is, zonder iemand te doen remmen of uitwijken.
Illustratie in voorbereidingDezelfde manoeuvre in drie tijden. Eerst de drie blikken: binnenspiegel, buitenspiegel, dan over de schouder. Daarna de richtingaanwijzer, tijdig genoeg zodat wie achter je rijdt het begrijpt. Ten slotte de verplaatsing, zonder dat iemand moet remmen.
Veelgemaakte fout
Een vraag met “slaat links af”, “maakt rechtsomkeer”, “rijdt achteruit”, “rijdt een parking uit” of “verandert van rijstrook” beschrijft een manoeuvre: het bedoelde voertuig heeft nooit voorrang, ook al komt het van rechts.
6.1
Stap 6.1 op 13

De controles en de dode hoek

De eerste stap van elke manoeuvre is kijken. Maar dan wel op de juiste plaats, want één punt ontsnapt aan al je spiegels.

De drie spiegels

  • De binnenspiegel toont je wat recht achter je aankomt, door de achterruit.
  • De linkerbuitenspiegel dekt de achterkant links en de linkerrijstrook.
  • De rechterbuitenspiegel dekt de achterkant rechts en de rechterrijstrook.

Je stelt ze goed af terwijl je stilstaat, in je gewone zithouding: je mag net een streepje van je eigen koetswerk zien aan de binnenrand van elke buitenspiegel, niet meer. De rest van de spiegel dient om de weg te zien.

De dode hoek, het punt dat geen enkele spiegel ziet

Tussen wat je buitenspiegel ziet en wat je oog naar voren ziet, blijft er een zone die niets dekt: dat is de dode hoek. Een auto, een motor of een fietser kan zich daar bevinden, onzichtbaar voor jou, net voor je van rijstrook verandert of afslaat.

De enige beweging die de dode hoek oplost, is de schouderblik, naar de kant waar je naartoe gaat. Een spiegel volstaat nooit. Die blik duurt een halve seconde en redt levens.

Illustratie in voorbereidingDe groene kegels tonen wat de drie spiegels bestrijken. Daartussen blijven twee rode zones schuin naar achteren over. De fietser staat precies in de rechtse: geen enkele spiegel toont hem, alleen de blik over de schouder onthult hem.

De dode hoek van vrachtwagens en bussen, veel groter

Een vrachtwagen heeft énorme dode hoeken, vooral rechts en vlak voor de cabine. Een fietser of voetganger kan volledig uit het zicht van de chauffeur verdwijnen. Onthoud de overlevingsregel, ze is goud waard, te voet én op de fiets:

Zie je de spiegel van de vrachtwagen niet, dan ziet de chauffeur jou niet. Ga aan een kruispunt nooit rechts naast een vrachtwagen staan: net daar gaat hij afslaan, en net daar ben je onzichtbaar.

In België bestaat er, anders dan in Frankrijk, géén verplichting om een dodehoeksticker achteraan op vrachtwagens te kleven. Wat wél verplicht is, zijn de hulpmiddelen die de dode hoek van de vrachtwagen verkleinen: groothoekspiegels, dodehoekspiegels, camera's. Verwar die twee niet op het examen.

Illustratie in voorbereidingDe cabine van de vrachtwagen draait al naar rechts terwijl de oplegger nog rechtdoor volgt. De rode zone bestrijkt zijn hele rechterflank, en de fietser is daar blijven staan. De stippellijn toont waar de oplegger zal passeren.
Veelgemaakte fout
De dodehoeksticker achteraan op een vrachtwagen is een Franse verplichting, geen Belgische. In België zijn het de spiegels en camera's van de vrachtwagen die verplicht zijn, niet de sticker.
6.2
Stap 6.2 op 13

Het inhalen

Inhalen is voorbij een weggebruiker rijden die in dezelfde richting rijdt als jij. Het is de meest riskante manoeuvre van de module: verkeerd uitgevoerd, doodt ze frontaal.

De basisregel: je haalt links in

Inhalen doe je links. Je wijkt uit naar links, je haalt in, je gaat weer naar rechts. Dat is de algemene regel; de gevallen van rechts inhalen zijn precieze uitzonderingen die verderop aan bod komen.

De procedure, op volgorde

Een net inhaalmanoeuvre volgt altijd deze stappen, zonder er één over te slaan:

  1. Controleer dat het mag: geen doorlopende streep, geen verbodsbord, geen van de verboden situaties die verderop staan.
  2. Controleer het zicht: je moet ver genoeg vooruit kunnen kijken om in te halen en weer in te voegen zonder risico tegenover een tegenligger.
  3. Kijk achter je en in de linkerdodehoek: niemand is jou al aan het inhalen.
  4. Zet je linkerrichtingaanwijzer aan, op tijd.
  5. Wijk uit en haal in met voldoende zijdelingse afstand, zonder het ingehaalde voertuig te doen vertragen.
  6. Kijk in je binnenspiegel: je voegt pas weer in wanneer je het ingehaalde voertuig volledig in je spiegel ziet.
  7. Rechterrichtingaanwijzer, en voeg dan soepel weer in, zonder hem af te snijden.
Illustratie in voorbereidingHet gestippelde traject van de blauwe wagen draagt zeven genummerde merktekens, van de controle achteraan tot het terugkeren naar rechts. De tegenoverliggende rijstrook blijft vrij over de hele zichtbare lengte: dat is de voorwaarde om te mogen beginnen.
Illustratie in voorbereidingZicht vanaf de bestuurdersplaats tijdens het inhalen van een tractor. De middenstreep is onderbroken en de weg blijft honderden meters ver zichtbaar: er komt niemand tegemoet.

De zijdelingse afstand

De afstand opzij moet voldoende en veilig blijven. Voor een fietser of voetganger staat ze zelfs in cijfers, namelijk 1 m binnen de bebouwde kom en 1,5 m erbuiten: kan je die ruimte nienten, dan haal je niet in, je wacht.

De plichten van wie ingehaald wordt

Ingehaald worden brengt ook plichten mee. Wie ingehaald wordt, moet zo veel mogelijk naar rechts opschuiven en mag niet versnellen. Vertragen om het inhalen te vergemakkelijken blijft toegelaten: versnellen is wat verboden is. Versnellen terwijl je ingehaald wordt, is een zware gedragsfout: je zet wie inhaalt klem tegenover het tegemoetkomende verkeer. ZF

De inhaalverboden

Het is verboden om links een gespan, een motor of een auto in te halen in deze situaties, elk met zijn reden:

  • als het zicht onvoldoende is om de tegenliggers ver genoeg te zien (blinde bocht, top van een helling, mist), behalve als je kan inhalen zonder de doorlopende witte streep te overschrijden. Reden: je haalt in naar een zone die je niet ziet. Inhalen zonder voldoende zicht is een zware fout. ZF
  • bij het naderen van en op een overweg zonder slagbomen en niet geregeld door lichten. Reden: je beneemt het zicht op de trein en je riskeert vast te komen te staan op de sporen.
  • bij het naderen van een kruispunt waar de voorrang van rechts geldt, en op de andere kruispunten voor wie voorrang moet verlenen. Reden: het inhalen verbergt een weggebruiker die opdaagt.
  • bij het naderen van een oversteekplaats voor voetgangers of voor fietsers die niet door een bevoegd persoon of lichten geregeld wordt.
  • als je een doorlopende streep zou moeten overschrijden
  • op een verkeersdrempel: je haalt niet in op een bult die het zicht ontneemt.
  • bij neerslag, op de autosnelweg, de autoweg en wegen met vier rijstroken of meer, voor voertuigen voor goederenvervoer van meer dan 7,5 t: de opspattende waterwolk verblindt wie ingehaald wordt.

De uitzonderingen aan het kruispunt: inhalen blijft toegelaten als je op een voorrangsweg rijdt, als het kruispunt geregeld wordt door een bevoegd persoon of door lichten, en op een rotonde. Het verbod geldt alleen voor wie geen voorrang heeft.

De meest geteste valstrik: het voertuig dat stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers

Dit is de vraag die bijna elke sessie terugkeert. Het is verboden om een voertuig in te halen dat stopt of vertraagt voor een oversteekplaats voor voetgangers (waar geen bevoegd persoon en geen lichten staan). Waarom? Omdat dat voertuig misschien een voetganger verbergt die al oversteekt: door het in te halen, zou je recht op iemand afgaan die je nog niet ziet. Je wacht erachter.

Illustratie in voorbereidingDe grijze wagen is gestopt voor de oversteekplaats om een voetganger te laten oversteken. De blauwe erachter begint uit te wijken om erlangs te gaan: zijn traject is doorstreept. Hij ziet de voetganger niet, en de voetganger ziet hem niet.

De inhaalborden

Vier borden regelen het inhalen: verboden in te halen het inhaalverbod, einde inhaalverbod het einde ervan, inhaalverbod vrachtwagens het verbod voor voertuigen voor goederenvervoer van meer dan 3,5 ton, en zijn eindbord, hetzelfde maar doorstreept. Belangrijk: het eerste geldt alleen voor gespannen en voor voertuigen met meer dan twee wielen. Onder dat bord mag je dus altijd een tweewieler inhalen. En geen van die verboden geldt voor het inhalen van een fiets.

De gevallen van rechts inhalen

Rechts inhalen blijft de uitzondering, in welbepaalde gevallen:

  • wanneer het in te halen voertuig heeft aangegeven dat het links wil afslaan en al naar links is uitgeweken: dan rijd je het rechts voorbij.
  • bij het rijden in files: als jouw file sneller opschuift dan een andere, is dat geen inhalen in de strikte zin, maar volgt ieder gewoon zijn file. Verwar “rechts inhalen” (verboden buiten de uitzonderingen) niet met “sneller rijden in je eigen file” (normaal in druk verkeer).
  • voor de tram, die je rechts inhaalt, of hij nu rijdt of stilstaat om reizigers te laten instappen. Links alleen als de doorgang rechts te smal is, als er een voertuig stilstaat of als een vast obstakel het belet, en in eenrichtingsstraten wanneer het verkeer het vereist.
Veelgemaakte fout
De koningsvraag van de module: je haalt nooit een voertuig in dat stopt voor een oversteekplaats voor voetgangers, want het kan een overstekende voetganger verbergen. Ook al is de linkerrijstrook vrij.
6.3
Stap 6.3 op 13

Dubbel inhalen: een voertuig inhalen dat zelf inhaalt

Een kort maar getest geval: wat als je een voertuig wil inhalen dat zélf aan het inhalen is?

De regel

Een voertuig inhalen dat inhaalt, is dubbel inhalen, en dat is in principe verboden. Reden: drie voertuigen naast elkaar op een weg met twee rijstroken, dat is de gegarandeerde frontale botsing met de tegenligger.

De twee gevallen waarin het mag

  • wanneer de rijbaan minstens drie rijstroken in jouw rijrichting telt: er is plaats.
  • wanneer wat de ander aan het inhalen is een tweewieler is (fiets, tweewielige bromfiets, tweewielige motor). Reden: om een fiets voorbij te steken moet hij niet ver uitwijken, en blijft er breedte over om jou door te laten.

Lees goed over wie het gaat. Het is niet het voertuig dat jij inhaalt dat een tweewieler moet zijn, maar datgene wat hij inhaalt. Dus: een auto haalt een fietser in, jij mag die auto inhalen. Een auto haalt een andere auto in, dan mag het niet. De wettekst zegt letterlijk: “wanneer de bestuurder die moet worden ingehaald zelf een ander voertuig inhaalt dan een fiets, een tweewielige bromfiets of een tweewielige motorfiets”.

Een motor met zijspan heeft meer dan twee wielen: het is geen tweewieler. Haalt het voertuig voor jou een zijspan in, dan blijft dubbel inhalen dus verboden, behalve op een rijbaan met drie rijstroken of meer. Het criterium “meer dan twee wielen” is hetzelfde als bij het inhaalverbodsbord.

Illustratie in voorbereidingLinks drie voertuigen naast elkaar op een weg met twee rijstroken: het traject van de derde is doorstreept, en er komt iemand tegemoet. Rechts is wie ingehaald wordt een fietser; de overblijvende breedte volstaat, en het manoeuvre kan.
Veelgemaakte fout
De uitzondering slaat niet op het voertuig dat JIJ inhaalt, maar op datgene wat HIJ inhaalt. Een auto die een fietser inhaalt, mag je inhalen. Een auto die een auto inhaalt, niet, tenzij er drie rijstroken in jouw richting zijn.
6.4
Stap 6.4 op 13

Het kruisen

Kruisen is een weggebruiker tegenkomen die uit de tegenovergestelde richting komt. Anders dan het inhalen is het geen manoeuvre, maar het vraagt plaats en methode.

De regel: je kruist rechts

Kruisen doe je rechts: ieder houdt zijn rechterrand aan en laat een voldoende zijdelingse afstand. Op sommige kruispunten regelen pijlen op de grond het kruisen: die volg je. Zonder pijlen kruis je rechts.

Wat je niet mag gebruiken om te kruisen

Om plaats te maken, mag je niet op de denkbeeldige rand van de rijbaan komen, niet op een fietspad en niet op een voetpad: die ruimtes zijn niet van jou. De enige ruimte die getolereerd wordt, als de rijbaan écht te smal is, zijn de gelijkgrondse berm en de zijstrook, op voorwaarde dat je niemand in gevaar brengt.

Illustratie in voorbereidingOp een weg zonder middenmarkering houdt elke wagen zo veel mogelijk rechts en laat twee wielen op de gelijkgrondse berm komen. De dubbele pijl meet wat hen scheidt. De bermen zijn leeg: dat maakt de manoeuvre mogelijk.

Wanneer een hindernis aan jouw kant ligt

Als een hindernis (geparkeerde auto, werf, wegversmalling) jouw helft van de rijbaan blokkeert, is het aan jou om te vertragen en, als het moet, te stoppen om wie tegemoetkomt te laten passeren. Regelen borden de doorgang, dan is de rechterpijl op het bord de jouwe: rood verleen je voorrang, wit mag je gaan.

Wanneer kruisen onmogelijk is

De Belgische wetgeving wijst niemand aan volgens de helling: de regel “wie daalt rijdt achteruit” is Frans, ze bestaat hier niet. De enige regel die geldt is die van de hindernis: wie zijn weg versperd ziet, vertraagt en stopt zo nodig om de tegenligger door te laten. Moet een van beiden achteruit, dan is dat een manoeuvre, en wie achteruitrijdt verleent voorrang aan iedereen.

Illustratie in voorbereidingEen geparkeerd voertuig versmalt de doorgang aan de kant van de blauwe wagen. Hij is het dus die stopt vóór de hindernis, terwijl de tegenligger, die vrije baan heeft, doorrijdt.
Veelgemaakte fout
Om te kruisen wordt de gelijkgrondse berm getolereerd als de weg te smal is, maar nooit de denkbeeldige rand, het fietspad of het voetpad. De regel “wie daalt rijdt achteruit” bestaat daarentegen niet in het Belgische recht: het is wie zijn weg versperd ziet die opzijgaat.
6.5
Stap 6.5 op 13

Van richting veranderen: afslaan

Afslaan is van richting veranderen. Let op een nuance die telt: het is geen manoeuvre in de zin van het reglement, en je verliest dus je voorrang niet door af te slaan. Rijd je op een voorrangsweg, dan blijf je voorrang hebben. Maar je verleent wel voorrang aan drie categorieën: aan de tegenliggers wanneer je links afslaat, aan de weggebruikers op de andere delen van dezelfde weg, voetpad en fietspad, en aan de voetgangers die de straat oversteken die je inrijdt. Je past telkens de drie stappen toe.

Rechts afslaan

  1. Ik kijk en ik ga tijdig rechts staan, dicht tegen de rechterrand.
  2. Ik geef aan met de rechterrichtingaanwijzer, op tijd.
  3. Ik controleer de rechterdodehoek: de fietser die rechts langs je rijdt, is gevaar nummer één.
  4. Ik voer uit: ik sla kort af, aan matige snelheid, en verleen voorrang aan de voetgangers die de straat oversteken die ik inrijd.

De dodelijke valstrik bij het rechts afslaan is de fietser die rechts naast je opschuift terwijl je afslaat. Een fietser de pas afsnijden bij het rechts afslaan is een zware fout. ZF De schouderblik naar de rechterdodehoek is niet optioneel.

Illustratie in voorbereidingDe wagen slaat kort af en houdt de rand aan. Rechts van hem rijdt een fietser rechtdoor en bevindt zich in de rode zone van de dode hoek. In de straat die hij inrijdt, steekt een voetganger over: beiden gaan voor hem.

Vanaf welke rijstrook afslaan

Wordt er in files gereden, in een bebouwde kom met gemarkeerde stroken, dan mag je rechts alleen afslaan vanaf de rechterstrook en links alleen vanaf de linkerstrook. Op henatste moment nog opschuiven om af te slaan mag niet: de keuze van strook gebeurt vooraf.

Links afslaan

  1. Ik kijk en ik ga tijdig naar het midden van de rijbaan staan, zonder de tegenliggers te hinderen.
  2. Ik geef aan met de linkerrichtingaanwijzer.
  3. Ik verleen voorrang aan de voertuigen die uit de tegenovergestelde richting komen op de rijbaan die ik verlaat.
  4. Ik voer uit: ik sla ruim af om de nieuwe weg langs de rechterkant op te rijden, zonder de bocht af te snijden, en verleen voorrang aan de voetgangers van de weg die ik inrijd.

Vanuit een straat met eenrichtingsverkeer ga je om links af te slaan zo ver mogelijk naar links staan, want er komt niemand tegemoet.

Het geval van twee voertuigen die tegenover elkaar staan en allebei links willen afslaan, komt aan bod in module 03.

Wagen die links afslaat en voorrang verleent aan de tegenligger en de voetganger
De wagen staat bij de as en wacht, met rechte wielen, midden op het kruispunt. De tegenligger gaat eerst, en ook de voetganger van de straat die hij inrijdt. Zijn ruime traject bereikt de nieuwe straat langs rechts.

Verwar een straat met eenrichtingsverkeer eenrichtingsverkeer, waar je maar in één richting rijdt, niet met een gebod om rechtdoor te rijden (rond blauw gebodsbord). Onder een gebod om rechtdoor te rijden kunnen er perfect voertuigen tegemoetkomen. Dat zijn twee verschillende dingen, die vaak verward worden.

Veelgemaakte fout
Eenrichtingsverkeer en het gebod om rechtdoor te rijden zijn niet hetzelfde: onder het gebod om rechtdoor te rijden kunnen er voertuigen tegemoetkomen. En bij het rechts afslaan gaat de fietser in de dode hoek vóór alles.
6.6
Stap 6.6 op 13

De richtingaanwijzers

De richtingaanwijzer is de tweede stap van elke manoeuvre: ik geef aan. Het is je enige manier om de anderen te zeggen wat je gaat doen vóór je het doet.

Wanneer aangeven

Je geeft altijd aan wanneer je:

  • van richting verandert (afslaan),
  • van rijstrook verandert,
  • inhaalt en weer invoegt,
  • wegrijdt na stilstaan of parkeren,
  • stopt of aan de kant gaat staan,
  • een rotonde verlaat (zie module 03).

Hoe aangeven

Je geeft vroeg genoeg aan zodat de anderen het begrijpen vóór je beweegt, en je stopt ermee zodra de manoeuvre voorbij is. Een richtingaanwijzer die na een bocht blijft knipperen, geeft verkeerde informatie en veroorzaakt ongevallen: dat is geen detail.

De richtingaanwijzer geeft aan, hij geeft geen enkel recht. Je richtingaanwijzer aanzetten maakt je niet voorrangsgerechtigd om in te voegen of van rijstrook te veranderen: je moet altijd voorrang verlenen als je manoeuvre iemand zou hinderen. De richtingaanwijzer informeert, hij dwingt niet.

Op de fiets geef je aan met de arm gestrekt in de gewenste richting. En als een richtingaanwijzer uitvalt, mag je je bedoeling met de arm aangeven tot hij hersteld is.

Veelgemaakte fout
De richtingaanwijzer heeft nog nooit iemand voorrang gegeven. Hij geeft je bedoeling aan, maar jij blijft degene die voorrang moet verlenen als je manoeuvre een andere weggebruiker hindert.
6.7
Stap 6.7 op 13

De plaats op de rijbaan

Waar plaats je je als je rijdt? De basisregel telt twee woorden: hou rechts.

Rechts houden

Elke bestuurder houdt zich zo dicht mogelijk bij de rechterrand van de rijbaan. Buiten de bebouwde kom en op de autosnelweg rijd je dus rechts, en links dient enkel om in te halen. Op de linkerrijstrook gaan hangen zonder in te halen hindert het verkeer en is een fout.

De keuze van rijstrook binnen de bebouwde kom

Binnen de bebouwde kom mag je de rijstrook kiezen die het best bij je bestemming past, maar alleen in twee welbepaalde gevallen: op een rijbaan met eenrichtingsverkeer verdeeld in rijstroken, en op een tweerichtingsrijbaan met minstens vier rijstroken (waarvan minstens twee per richting). Buiten die gevallen hou je rechts.

In alle gevallen rijd je nooit op twee rijstroken tegelijk: je gebruikt maar één rijstrook per keer.

Van rijstrook veranderen is een manoeuvre

Van rijstrook veranderen is een manoeuvre: je past de drie stappen toe (kijken, ook de dode hoek, aangeven, uitvoeren) en je verleent voorrang aan wie al op de beoogde rijstrook rijdt. Je gaat ook tijdig staan om van richting te veranderen, nooit met een late stuurbeweging.

De opgeblazen fietsopstelstrook

Aan een verkeerslicht kom je soms een opgeblazen fietsopstelstrook tegen, dat vak met een fiets erop, afgebakend door twee stopstrepen vlak voor het kruispunt. Bij rood plaatsen de fietsers zich er vóór de auto's, om goed gezien te worden en veilig te vertrekken. Jij, met de auto, stopt aan de eerste stopstreep, zonder ooit in het vak te rijden: die ruimte is voorbehouden voor de fietsers.

Illustratie in voorbereidingHet licht staat op rood. Twee fietsers hebben zich in het vak met het fietssymbool geplaatst, tussen de twee stopstrepen. De eerste wagen is achter de verste streep gebleven, en het vak voor hem is helemaal vrij.

Het ritsen, de enige keer dat het omgekeerd is

Deze hele module herhaalt dat wie invoegt voorrang verleent. Er bestaat één geval waarin het net omgekeerd is, en het komt op het examen. Is het verkeer sterk vertraagd en eindigt een rijstrook, dan rijd je door tot helemaal aan het einde van je strook en schuif je er vlak voor de versmalling tussen, en het zijn de bestuurders op de doorlopende strook die je moeten laten invoegen, om beurten. Te vroeg invoegen is niet beleefd, het is in strijd met de regel. Het detail staat in module 03.

De reddingsstrook

Zodra er een file ontstaat op een rijbaan met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, moet je een doorgang voor de hulpdiensten vrijmaken, zonder op de sirene te wachten. Bij twee stroken schuift de linkse naar links en de rechtse naar rechts: de doorgang ontstaat in het midden. Bij drie of meer schuift alleen de linkerstrook naar links, alle andere naar rechts.

Motorrijders tussen de files

Een motorrijder mag tussen twee files rijden van stilstaande of traag rijdende voertuigen. Dat is geen inhalen. Twee grenzen: maximaal 50 km/u, en niet meer dan 20 km/u sneller dan de files waarlangs hij rijdt. Op de autosnelweg rijdt hij tussen de twee meest linkse stroken.

Busstroken en bijzondere beddingen

De busstroken en bepaalde overrijdbare beddingen (met dambordmarkering) zijn voorbehouden voor welbepaalde weggebruikers. Je rijdt er enkel op als je er het recht toe hebt. Het dambord herken je aan zijn witte vierkanten: je mag het dwarsen om af te slaan, er nooit op rijden of stilstaan. De carpoolstrook, voorbehouden voor voertuigen met meerdere inzittenden.

Illustratie in voorbereidingDe rechterstrook draagt het woord BUS op de grond en een doorlopende witte streep scheidt hem van de rest van de rijbaan. Er rijdt een bus; de wagen vanwaar we kijken blijft aan de andere kant van de streep.

Het beperkt eenrichtingsverkeer, de Belgische bijzonderheid

Hier is een heel Belgische valstrik. Een straat met eenrichtingsverkeer kan opengesteld zijn voor fietsers in de tegenrichting: dat is het beperkt eenrichtingsverkeer (BEV). Je herkent het aan het bord verboden richting aangevuld met een onderbord met een fiets. Concreet gevolg voor jou: in een straat met eenrichtingsverkeer kan een fietser recht op je afkomen, helemaal wettelijk. Je verwacht het en je houdt rechts. Het is het onderbord onder het bord dat de straat voor fietsers in de andere richting openstelt.

Illustratie in voorbereidingDe straat is eenrichtingsverkeer, maar het onderbord bij het bord achteraan stelt ze open voor fietsers in de andere richting. Deze komt dus recht tegemoet, in dezelfde as, en hij is volkomen in orde.
Veelgemaakte fout
In een straat met eenrichtingsverkeer kan een fietser wettelijk op je afkomen als de straat beperkt eenrichtingsverkeer is (onderbord met fiets). Dat is geen overtreding van zijn kant; het is aan jou om het te verwachten.
6.8
Stap 6.8 op 13

De autosnelweg en de autoweg

De autosnelweg bundelt de manoeuvres aan hoge snelheid: invoegen, uitrijden, je plaats houden. Een fout kost er duur, en meerdere ervan zijn zware fouten.

Het invoegen

  1. Gebruik de héle invoegstrook om de snelheid van het verkeer te bereiken vóór je invoegt. Daar dient ze voor. Verwar die invoegsnelheid niet met de 70 km/u van de autosnelweg: dat is tegelijk een toegangsvoorwaarde voor je voertuig en een minimumsnelheid op de autosnelweg zelf, die wijkt voor file, regen of mist.
  2. Kijk: spiegel en vooral de schouderblik naar de linkerdodehoek.
  3. Geef aan met de linkerrichtingaanwijzer.
  4. Voeg zo vroeg mogelijk in, in een tussenruimte, zonder iemand te doen remmen.

Stop nooit aan het einde van de invoegstrook, behalve bij absolute noodzaak: een stilstaand voertuig daar is een dodelijke valstrik. Wie heeft voorrang? De regel is duidelijk: wie invoegt, verleent voorrang aan de voertuigen die al op de autosnelweg rijden. Een invoegstrook benader je zoals een kruispunt, een plaats waar je geen voorrang hebt. Net daarom moet je de snelheid van het verkeer bereikt hebben vóór je de rijbaan oprijdt: dan glip je in een tussenruimte zonder iemand te doen uitwijken.

De bestuurders die al op de autosnelweg rijden, mogen je het invoegen uit hoffelijkheid vergemakkelijken, door naar de middenrijstrook uit te wijken als die vrij is of door hun snelheid aan te passen, maar nooit door bruusk te remmen, en het is geen verplichting. Reken dus nooit op die hoffelijkheid: de verantwoordelijkheid voor het invoegen blijft de jouwe.

Illustratie in voorbereidingDe blauwe wagen heeft de hele invoegstrook gebruikt om de snelheid van het verkeer te halen, en mikt dan op een gat tussen twee voertuigen. Niemand die al op de rijbaan rijdt, remt of wijkt uit: hij moet zich aanpassen.

Het uitrijden

Om uit te rijden: ga tijdig rechts staan, zet de rechterrichtingaanwijzer aan, en vertraag pas eenmaal op de uitvoegstrook, niet eerder. Respecteer daarna de aangekondigde snelheid van de afrit, vaak veel lager dan ze lijkt. Aan verkeersknooppunten en meervoudige afritten lees je de borden op voorhand, zodat je niet op henatste moment moet invoegen.

Illustratie in voorbereidingDe uitvoegstrook draait naar rechts weg. De wagen die afrit, vertraagt pas eenmaal erop; die op de autosnelweg houdt zijn snelheid aan. Remmen voor je eraf bent, hindert alles wat volgt.

Wie er niet op mag

De autosnelweg is verboden voor voetgangers, fietsers, bromfietsers, landbouwvoertuigen, vierwielers zonder passagiersruimte en elk voertuig dat gesleept wordt met een noodkoppeling. En wie er wel mag rijden, mag er alleen op- en afrijden op de daarvoor aangelegde plaatsen: nooit via een dienstdoorsteek in de middenberm.

Vrachtwagens hebben maar twee stroken

Telt de autosnelweg drie stroken of meer in jouw richting, dan mogen autocars, autobussen en alle voertuigen van meer dan 3,5 t alleen de twee rechtse stroken gebruiken. De meest linkse strook is voor hen verboden, behalve om een voorsorteringspijl te volgen.

De absolute verboden

Op de autosnelweg en op de autoweg zijn verboden en gelden als zware fouten: rechtsomkeer maken ZF, achteruitrijden ZF, tegen de rijrichting in rijden ZF, en stoppen of parkeren op de rijbaan ZF. De pechstrook is voorbehouden voor echte noodgevallen: bij panne ga je erop staan, je zet je alarmlichten aan, en je past de procedure van module 11 toe (gevarendriehoek, fluohesje, evacuatie). Tot slot rijd je niet nodeloos links: je voegt weer in zodra je klaar bent met inhalen.

De autoweg

De autoweg lijkt op de autosnelweg maar is er geen: hij kan kruispunten hebben en heeft niet dezelfde toegangsvoorwaarde: geen drempel van 70 km/u bij het oprijden, en geen minimumsnelheid. Zijn statuut en zijn snelheid staan uitgewerkt in module 04, en zijn borden in module 02. Wat de manoeuvres betreft, onthoud dat hij met de autosnelweg dezelfde absolute verboden deelt (rechtsomkeer maken, achteruitrijden, stoppen).

Veelgemaakte fout
Op de invoegstrook heb je geen voorrang: jij bent het die invoegt, dus jij verleent voorrang aan het verkeer dat er al rijdt. Het voertuig op de autosnelweg is niet verplicht om je erin te laten.
6.9
Stap 6.9 op 13

De tunnels

Een tunnel is een gesloten ruimte waar het minste incident snel ernstig wordt. De regels zijn er bijzonder, en het lezen van het bord doet veel kandidaten struikelen.

Het bord lezen, de klassieke valstrik

Het tunnelbord tunnel kondigt een tunnel van meer dan 500 meter aan. Let op de valstrik: het cijfer op het onderbord is de lengte van de tunnel, niet de afstand ernaartoe. Een onderbord 2 km kondigt dus een tunnel aan die 2 km lang is, geen tunnel op 2 km. Het cijfer op het bord is de lengte van de tunnel, niet de afstand ertot.

Voor je erin rijdt

  • controleer je brandstofpeil, je wil er niet met panne komen te staan,
  • zet je zonnebril af,
  • steek je dimlichten aan,
  • vergroot je veiligheidsafstand,
  • luister naar de informatieradio als die aan de ingang aangeduid staat.

De truc van het zwarte gat: sluit vlak voor de ingang één oog een seconde, en open het weer eenmaal in de tunnel. Dat oog, al gewend aan het donker, geeft je meteen zicht terwijl het andere zich aanpast.

Illustratie in voorbereidingHet tunnelbord staat vlak voor de ingang, en het onderbord eronder geeft de lengte van de tunnel. De dimlichten branden al: die gaan aan vóór je binnenrijdt, niet eenmaal erin.

Eenmaal binnen

Hou je afstand, respecteer de signalen boven de rijstroken, en maak vooral nooit rechtsomkeer en rijd nooit achteruit ZF. De mistlichten hebben geen enkel nut in een heldere tunnel, laat ze uit. Meestal is er geen pechstrook in een tunnel.

Bij panne of ongeval

Gebruik bij voorkeur de SOS-noodtelefoon van de tunnel, op regelmatige afstanden geplaatst, anders het 112. De noodtelefoon van de tunnel geeft je positie meteen door aan de hulpdiensten.

Bij brand of rook

De richtlijn is precies en spaart levens:

  1. Ga zo ver mogelijk rechts staan en zet de motor af.
  2. Laat de sleutel op het contact: de hulpdiensten moeten je voertuig kunnen verplaatsen.
  3. Stap uit met alle passagiers, trek je fluohesje aan.
  4. Ga te voet naar de dichtstbijzijnde nooduitgang, zonder ooit naar je auto terug te keren.

Probeer nooit rechtsomkeer te maken in de rook.

Illustratie in voorbereidingDe rook hangt bovenin de tunnel. De wagen staat rechts geparkeerd, met de waarschuwingsknipperlichten aan en de sleutel op het contact, en de inzittenden lopen naar de aangeduide nooduitgang, laag onder de rook.
Veelgemaakte fout
“Tunnel 2 km” betekent niet dat de tunnel 2 km verderop ligt. Het onderbord geeft de lengte van de tunnel: hij is 2 km lang, en je staat aan zijn ingang.
6.10
Stap 6.10 op 13

De overweg

De overweg is de gevaarlijkste plaats van de weg: een trein kan niet op tijd remmen en niet uitwijken. Hier is de minste fout fataal, en de overtreding is de zwaarste van de wegcode.

Met slagbomen of met lichten

Je rijdt nooit op zodra het signaal begonnen is: knipperend rood licht aan, slagbomen die neergaan of gesloten zijn, geluidssignaal in werking. Ook al is de slagboom maar half neergelaten, ook al denk je dat je tijd hebt: je wacht.

Zonder slagbomen of lichten

Daar hangt alles van jou af: vertraag, kijk naar beide kanten, luister, en steek dan over zonder op de sporen te stoppen. Een overweg steek je in één beweging over, nooit door er stil te staan.

De gouden regel, die levens redt: rij nooit op als je niet zeker bent dat je er volledig aan de andere kant af kan. Is er een file of een rood licht net erna, dan wacht je vóór de overweg, nooit erop.

Illustratie in voorbereidingDe slagbomen zijn halverwege en de rode lichten knipperen al. De wagen staat ruim voor de streep stil: zodra het signaal begint, stop je, zonder te wachten tot de slagboom beneden is.
Illustratie in voorbereidingGeen slagboom, geen licht: alleen het andreaskruis duidt het spoor aan. Begroeiing ontneemt het zicht langs de rails, en het bord met het noodnummer hangt aan de paal. Hier hangt alles van de bestuurder af.

De verboden en het ergste geval

Op een overweg is het verboden om te stoppen of te parkeren, en om in te halen (zie 6.2). Als je voertuig stilvalt of vast komt te staan op de sporen, is de absolute prioriteit iedereen onmiddellijk te laten uitstappen, en daarna onmiddellijk 1711 te bellen, het noodnummer van Infrabel, dat de treinen kan laten stoppen. Dat nummer staat op een bord aan elke overweg. Pas daarna haal je, als het veilig kan, het voertuig weg.

Een gesloten overweg oversteken of oversteken ondanks het signaal is een overtreding van de 4e graad, de hoogste graad van de wegcode, met de zwaarste boetes en een mogelijk verval van het recht tot sturen. ZF De details over de graden van overtreding staan in module 09.

Veelgemaakte fout
Je rijdt een overweg pas op als je zeker bent dat je er volledig aan de andere kant af kan. Een file na de overweg? Je wacht ervoor, nooit op de sporen.
6.11
Stap 6.11 op 13

Achteruitrijden en rechtsomkeer maken

Twee lastige manoeuvres, omdat je er slecht zicht bij hebt en ze vaak zonder nadenken uitvoert. Het zijn manoeuvres: je verleent iedereen voorrang.

Achteruitrijden

Achteruitrijden is een volwaardige manoeuvre: je verleent voorrang aan alle weggebruikers. De procedure:

  1. Controleer alles rondom je VÓÓR je beweegt: achter je, aan de zijkanten, voor je.
  2. Kijk door de achterruit, door je om te draaien. De spiegels en de camera volstaan niet, ze hebben hun eigen dode hoeken.
  3. Rij traag achteruit, klaar om te stoppen bij de minste twijfel.
  4. Is het zicht nul, laat je dan helpen door iemand buiten de wagen.

Achteruitrijden moet uitzonderlijk blijven en over een korte afstand. Goed om weten: je bent vrijgesteld van de gordel zolang je een manoeuvre achteruit uitvoert, zodat je je vrij kan omdraaien.

Het is verboden op de autosnelweg en de autoweg ZF, in tunnels en op een overweg.

Illustratie in voorbereidingDe bestuurder heeft zijn bovenlichaam gedraaid en kijkt door de achterruit, niet in de spiegel. De rode zone achter het voertuig is die welke geen enkele spiegel toont. De voetganger en de fietser die naderen, gaan voor hem.

Rechtsomkeer maken

Rechtsomkeer maken is ook een manoeuvre: je verleent iedereen voorrang. Het is verboden:

  • waar het zicht onvoldoende is (bocht, top van een helling),
  • op de autosnelweg en de autoweg ZF,
  • in een tunnel en op een overweg: het reglement verbiedt het niet met zoveel woorden, maar het gevaar sluit het uit, en de meeste van die tunnels liggen sowieso op een autosnelweg,
  • waar een bord het verbiedt.

Het bord dat rechtsomkeer maken verbiedt, is een schijf met rode rand met een pijl die op zichzelf terugkeert, geldig tot en met het volgende kruispunt.

Illustratie in voorbereidingTwee situaties, twee kruisen: rechtsomkeer maken op de autosnelweg en op de autoweg. Dat zijn de enige twee plaatsen waar het reglement het met zoveel woorden verbiedt.
Veelgemaakte fout
Het bord dat rechtsomkeer maken verbiedt, geldt tot en met het volgende kruispunt: dat kruispunt zelf valt er dus ook onder. En rechtsomkeer maken is, net als achteruitrijden, altijd verboden op de autosnelweg.
6.12
Stap 6.12 op 13

Eindsamenvatting

De hele module past in deze tabel. Weet je voor elke manoeuvre wat je controleert, wat je aankondigt en aan wie je voorrang verleent, dan heb je het thema beet.

De tabel van de manoeuvres

ManoeuvreWat ik controleerWat ik aangeefAan wie ik voorrang verleen
WegrijdenSpiegels + dode hoekRichtingaanwijzerAan iedereen (manoeuvre)
Van rijstrook veranderenSpiegel + dode hoek aan die kantRichtingaanwijzer aan die kantAan de beoogde rijstrook
InhalenZicht + linkerdodehoekLinkerrichtingaanwijzer, dan rechterAan het tegemoetkomende verkeer
Rechts afslaanRechterdodehoek (fietser)RechterrichtingaanwijzerVoetgangers + fietsers
Links afslaanTegemoetkomend verkeerLinkerrichtingaanwijzerTegenliggers + voetgangers
Rechtsomkeer makenAlles rondom + zichtRichtingaanwijzerAan iedereen (manoeuvre)
AchteruitrijdenAlles rondom, achterruitRichtingaanwijzerAan iedereen (manoeuvre)
Invoegen op de autosnelwegLinkerdodehoekLinkerrichtingaanwijzerAan het reeds aanwezige verkeer

De tabel van de inhaalverboden

SituatieInhalenWaarom
Onvoldoende zicht (bocht, top van een helling)VerbodenJe haalt in naar een zone die je niet ziet
Overweg zonder slagbomen of lichtenVerbodenJe verbergt de trein, je riskeert vast te komen te staan
Nadering van een kruispunt, zonder voorrangVerbodenEen weggebruiker kan opdagen, verborgen door het inhalen
Voertuig dat stopt voor een oversteekplaats voor voetgangersVerbodenEen overstekende voetganger kan verborgen zijn
Kruispunt op een voorrangsweg, of geregeld door bevoegd persoon of lichtenToegelatenJe hebt voorrang, geen risico dat iemand opdaagt
Een tweewieler, onder een inhaalverbodToegelatenHet geldt niet voor tweewielers
Dubbel inhalen op een rijbaan met drie rijstroken of meerToegelatenEr is plaats, geen front met de tegenligger

* Bronnen van deze module: koninklijk besluit van 1 december 1975, artikelen 9 (plaats op de rijbaan, reddingsstrook), 12 en 12bis (manoeuvres en ritsen), 13 (richtingaanwijzers), 15 (kruisen), 16 en 17 (inhalen en inhaalverboden), 19 (verandering van richting), 20 (overweg), 21 (autosnelweg), 22 (autoweg), 24 (stilstaan en parkeren) en 77 (markeringen); koninklijk besluit van 30 september 2005 voor de graden van overtreding.

Veelgemaakte fout
Als je maar één zin onthoudt: wie een manoeuvre uitvoert, verleent iedereen voorrang, altijd. De richtingaanwijzer, de snelheid of de durf veranderen daar niets aan.

Theorie gelezen? Test jezelf.

Ga de uitdaging aan met de quiz van deze module — verbeterde vragen, examenstijl.

Doe de quiz van de module →
Discussies over deze module Naar het forum

Nog geen vraag over deze module. Stel de jouwe: ze helpt iedereen die zich hetzelfde afvraagt.

Een vraag stellen