Module 04 · Cursus · 18 secties · 32 min lezen

Snelheid, afstanden & remmen

Als er één thema op élk examen opduikt, dan is het dit wel. Snelheid, dat zijn cijfers, en cijfers laten zich makkelijk testen: een limiet, een afstand, een gewest, en de vraag is klaar. Het goede nieuws? Achter die cijfers zit een logica. Eens je die logica snapt, dreun je niets meer op, je redeneert. Op het einde van deze module ken je alle limieten uit het hoofd, snap je waarom ze bestaan, en antwoord je juist, zelfs op de strikvragen. We beginnen met de regel die boven alle borden staat, en dalen dan af in het detail, gewest per gewest, situatie per situatie.

4.0
Stap 4.0 op 18

De gouden regel vóór alle cijfers

Nog vóór het eerste bord onthoud je dit: je moet altijd kunnen stoppen voor een voorzienbaar obstakel, binnen de afstand die je overziet. Wat de limiet ook aangeeft. Het bord geeft je een maximum, geen verplichting om dat maximum te rijden.

“Op de limiet” rijden mag niet altijd

Een bord 70 op een landweg betekent niet “rij 70 wat er ook gebeurt”. Mist, een blinde bocht, een schooluitgang, hevige regen: je vertraagt, ook al staat er 70. De aangegeven limiet gaat uit van normale omstandigheden. Zodra die veranderen, pas je zelf je snelheid aan.

Twee overtredingen, geen één

De wegcode maakt een onderscheid tussen twee snelheidsfouten, en dat is een klassieker op het examen.

  • Overdreven snelheid: je gaat over de aangegeven limiet. Je rijdt 70 waar het 50 is.
  • Onaangepaste snelheid: je blijft onder de limiet, maar je rijdt te snel voor de omstandigheden. Je rijdt 70 in de mist op een weg waar 70 mag. Het bord respecteer je, en toch pleeg je een overtreding.

Onaangepaste snelheid is een volwaardige overtreding. Een politieagent die een ongeval bij regenweer vaststelt, kan ze weerhouden ook al reed de bestuurder onder de limiet. Het cijfer op het bord beschermt je niet.

Te traag rijden is óók een fout

Overdreven traag rijden zonder reden hindert het verkeer en schept gevaar, net zoals bruusk remmen zonder aanleiding. Rij op het praktijkexamen niet 30 in de bebouwde kom of 50 op een gewone weg zonder reden: de examinator ziet daarin een gebrek aan beheersing, geen voorzichtigheid.

Veelgemaakte fout
Veel mensen denken dat je onder de limiet onaantastbaar bent. Fout. De onaangepaste snelheid is een overtreding, zelfs aan 50 in een zone 50, als het weer of het zicht trager rijden vroegen.
4.1
Stap 4.1 op 18

De snelheden per gewest: de tabel om te fotograferen

Dit is de tabel die iedereen moet kennen. België heeft zijn snelheid geregionaliseerd: dezelfde weg kan een andere limiet hebben naargelang je in Vlaanderen, Wallonië of Brussel rijdt. Net dat test het examen maar al te graag. En onthoud een quoteringspunt: op het examen is élke overschrijding van de toegelaten snelheid een zware fout, net zoals door een rood licht rijden. ZF

In de bebouwde kom

50 km/u in Vlaanderen en Wallonië. In Brussel standaard 30 km/u sinds 1 januari 2021. Daar bestaat de 50 (en soms de 70) enkel op de assen die het aangeven, en die uitzondering geldt zonaal, iets waar we in 4.6 op terugkomen. Je basisreflex in de hoofdstad is 30; de 50 wordt de uitzondering die je moet spotten.

Illustratie in voorbereidingHet bord rechts draagt de naam van de gemeente op een witte achtergrond. Erachter versmalt de straat en beginnen de gevels: dat bord, en niet de naam, doet je in het regime van de bebouwde kom belanden.
Illustratie in voorbereidingEen Brusselse straat zonder iets bijzonders: geen school, geen werf. Het zonebord aan de ingang en het cijfer op de grond herinneren eraan dat 30 in de hoofdstad de standaardregel is.

Buiten de bebouwde kom, gewone weg

Hier lopen de gewesten duidelijk uiteen:

  • Vlaanderen: 70 km/u
  • Wallonië: 90 km/u
  • Brussel: 70 km/u

Handige vergelijking: de taalgrens oversteken op een kleine weg betekent soms van 70 naar 90 gaan (of omgekeerd), zonder dat het wegtype verandert.

Illustratie in voorbereidingTwee rijstroken, een onderbroken streep in het midden, velden aan weerszijden en geen enkele woning. Er staat geen enkel snelheidsbord: het standaardregime buiten de bebouwde kom geldt.

De 2x2-wegen: de scheiding beslist

Grote valstrik: niet het aantal rijstroken bepaalt de snelheid, wel het soort scheiding tussen de twee rijrichtingen.

  • 2x2 gescheiden door een middenberm (een echte fysieke scheiding: aarden berm, vangrail): 120 km/u buiten de bebouwde kom.
  • 2x2 gescheiden door enkel een wegmarkering: dan val je terug op het regime van de gewone weg, dus 70 in Vlaanderen, 90 in Wallonië, 70 in Brussel.
Illustratie in voorbereidingDe twee rijrichtingen zijn gescheiden door een doorlopende berm: beplante grond of een metalen vangrail. Geen enkel voertuig kan van de ene kant naar de andere — die fysieke scheiding, en niet het aantal rijstroken, laat 120 toe.
Illustratie in voorbereidingDezelfde weg, evenveel rijstroken, maar in het midden ligt alleen nog verf op de grond. Niets houdt je fysiek tegen: je valt terug op het regime van de gewone weg.

De weg met centrale rijbaan: 70 in Vlaanderen en Wallonië

Deze bijzondere weg, een centrale rijbaan met aan weerszijden een zijdelingse strook voor trage weggebruikers, is beperkt tot 70 km/u in Vlaanderen en Wallonië. In Vlaanderen is dat gewoon het standaardregime buiten de bebouwde kom, dat sowieso al 70 is; in Wallonië is het een specifieke gewestelijke regel, in voege sinds 1 december 2023. In Brussel bestaat er geen aparte regel voor dit soort weg: je past het regime van de weg toe, meestal 30 km/u (standaard zone 30 sinds 2021). Je herkent ze aan haar centrale strook, aan weerszijden begrensd door een onderbroken streep, met een zijstrook voor de trage weggebruikers.

De autosnelweg

Maximum 120 km/u. Er bestaat ook een toegangsvoorwaarde gekoppeld aan een minimumsnelheid, maar dat is geen verplichting om snel te rijden: dat leggen we uit in 4.3.

De samenvattende tabel

SituatieWalloniëVlaanderenBrussel
Bebouwde kom505030 (standaard)
Buiten bebouwde kom, gewone weg907070
Weg met centrale rijbaan7070regime van de weg
2x2 met middenberm (buiten bebouwde kom)120120120
2x2 met enkel markering (buiten bebouwde kom)907070
Autosnelweg120120120

Deze cijfers gelden voor een gewone auto. Sommige voertuigen hebben een lagere limiet, ongeacht het bord: zie 4.2.

Veelgemaakte fout
Vier rijstroken betekent niet 120. Kijk naar het midden: fysieke middenberm: 120, enkel geschilderde markering: regime van de gewone weg. Geheugensteun: beton scheidt, verf scheidt niet echt.
4.2
Stap 4.2 op 18

De snelheden gekoppeld aan de aard van het voertuig

Tot hier ging het over de weg. Maar de snelheid hangt ook af van wat je bestuurt. Sommige categorieën hebben hun eigen, lagere limiet, en die vervalt nooit, ook al laat het bord meer toe. Een bromfiets op een weg waar 70 mag, rijdt geen 70: hij blijft op zijn categorielimiet.

Twee dingen niet door elkaar halen. De constructiesnelheid is het maximum dat het toestel technisch kan halen (vastgelegd in het technisch reglement). De toegelaten snelheid is wat de wet op de weg toelaat. Bij de kleine toestellen vallen die twee vaak samen.

De lichte tweewielers en toestellen

VoertuigMaximumsnelheidHet kernpunt
Bromfiets klasse A25 km/uDoor constructie; in veel gevallen gelijkgesteld met een fietser
Bromfiets klasse B45 km/uDoor constructie; helm en nummerplaat verplicht
Speedpedelec45 km/uElektrische fiets met trapondersteuning tot 45, gelijkgesteld met een bromfiets
Gemotoriseerd voortbewegingstoestel (elektrische step)25 km/uDoor constructie; sneller mag niet op de openbare weg

Die waarden komen uit het technisch reglement en de definities van die toestellen. Een toestel dat op 25 begrensd is, blijft op 25, ook op een weg waar 70 mag.

Illustratie in voorbereidingDezelfde weg, hetzelfde bord 70 boven beide. Links haalt de bromfiets maximaal 45, rechts de step 25. Het cijfer op het bord tilt een voertuig nooit boven zijn eigen limiet.

De zware en lange voertuigen

Boven 3,5 ton maximaal toegelaten massa maakt de auto plaats voor de vrachtwagen, en dalen de limieten:

  • Voertuigen van meer dan 3,5 t (waaronder een mobilhome die boven dat gewicht zit): geplafonneerd op 90 km/u op de autosnelweg, en nog lager buiten de bebouwde kom naargelang de weg.
  • Autocars en autobussen: in de orde van 90 km/u, met een bijzonder regime op de autosnelweg voor bepaalde gehomologeerde autocars.

De details over de voertuigcategorieën en de maximaal toegelaten massa komen aan bod in module 10.

Veelgemaakte fout
Een klassieke vraag: “een elektrische step op een weg waar 70 mag, hoe snel rijdt die?”. Antwoord: maximum 25 km/u, zijn constructielimiet. Het bord verandert daar niets aan.
4.3
Stap 4.3 op 18

De autosnelweg: rijstrookdiscipline en toegang

Op de autosnelweg circuleren twee misverstanden, en het examen test ze rechtstreeks.

De mythe van de snelheid per rijstrook

Er bestaat geen snelheid per rijstrook. De linkerrijstrook laat geen 140 toe, de rechterrijstrook legt geen 90 op. Het maximum is 120 op álle rijstroken. 130 rijden op de linkerrijstrook is een overtreding, net zoals op de rechterrijstrook.

Rechts rijden, links inhalen

De gouden regel van de autosnelweg: je rijdt zo veel mogelijk rechts. De linkerrijstrook dient om in te halen, niet om er te blijven hangen. Zodra je klaar bent met inhalen, ga je terug naar rechts. De linkerrijstrook bezetten zonder in te halen hindert het verkeer en is een fout.

Illustratie in voorbereidingDe voertuigen rijden gegroepeerd op de rechterstrook; één enkel voertuig gebruikt de linkerstrook om in te halen. Boven de drie stroken staat dezelfde 120: de limiet verandert niet van strook tot strook.

Het minimum van 70 is een toegangsvoorwaarde, geen permanente verplichting

Vaak verkeerd begrepen. De autosnelweg is verboden voor voertuigen die op een vlakke weg geen 70 km/u kunnen halen. Met andere woorden: kan je voertuig (of je sleep) op het vlakke geen 70 aanhouden, dan mag je er niet op. Het is géén verplichting om voortdurend minstens 70 te rijden.

Rechtstreeks gevolg: traag rijden in een file, of sterk vertragen door regen, mist of een ongeval, is géén overtreding. Er zijn in werkelijkheid twee verschillende regels, en het examen haalt ze door elkaar. De eerste is een toegangsvoorwaarde: je voertuig moet op het vlakke 70 km/u kunnen halen, anders mag het er niet op. De tweede is een echte minimumsnelheid: op de autosnelweg mag je niet trager dan 70 km/u rijden. Maar die tweede regel wijkt voor de omstandigheden, want je moet je snelheid altijd aanpassen: een file, regen, mist of een ongeval doen je vertragen zonder een overtreding te begaan.

Wie de autosnelweg niet op mag

Die voorwaarde sluit in de praktijk alles uit wat niet kan volgen: bromfietsen, tractoren, werftuigen, te trage voertuigen. De details over invoegen, uitwijken en de toegelaten voertuigen vind je in module 06.

Veelgemaakte fout
“Wat is de maximumsnelheid op de linkerrijstrook?” Antwoord: 120, zoals overal. En de “70” van de autosnelweg is geen snelheid die je koste wat kost moet aanhouden: het is de drempel waaronder een voertuig er niet op mag.
4.4
Stap 4.4 op 18

De autoweg

Je verwart ze vaak met de autosnelweg, omdat ze snel is en voorbehouden voor motorvoertuigen. Maar het is geen autosnelweg, en het verschil zie je aan de borden en aan de weg.

Wat het is

De autoweg is een openbare weg die voorbehouden is voor motorvoertuigen, met het begin aangekondigd door autoweg en het einde door einde autoweg. Bromfietsen, voetgangers, fietsers en landbouwvoertuigen horen er niet thuis, net als op de autosnelweg.

Illustratie in voorbereidingHet blauwe vierkante bord met de witte auto opent de autoweg. Verderop op dezelfde rijbaan ligt een gelijkgronds kruispunt: net wat een autosnelweg niet kan hebben.

Waarin ze verschilt van de autosnelweg

  • De autosnelweg autosnelweg heeft alleen op- en afritten: geen kruispunten, geen gelijkgrondse kruisingen.
  • De autoweg daarentegen kan gelijkgrondse kruispunten hebben en veronderstelt geen middenberm.
  • Ze legt niet dezelfde toegangsvoorwaarde van 70 km/u op als de autosnelweg.

Welke snelheid er geldt

Het statuut “autoweg” legt op zich geen bijzondere snelheid vast. Je past het gewone regime toe: buiten de bebouwde kom doorgaans 70 in Vlaanderen en 90 in Wallonië, tenzij een snelheidsbord een andere limiet oplegt. Als de aanleg het toelaat (gescheiden 2x2) en ze zo aangeduid is, kan ze naar 120. Met andere woorden: je leest de borden, je gaat er niet vanuit “autoweg, dus 120”. De verkeersregels die eigen zijn aan deze wegen staan in module 06.

Veelgemaakte fout
Snel en voorbehouden voor auto's betekent niet autosnelweg. Zonder het bord van de autosnelweg zit je misschien op een autoweg: die kan kruispunten hebben, en haar snelheid is niet noodzakelijk 120.
4.5
Stap 4.5 op 18

De trage zones: elk hun snelheid

Onder de 30 bestaat er een hele wereld van zones waar de mens vóór de auto gaat. Voor het herkennen van de borden ga je naar module 02; hier onthouden we de snelheid van elk.

Eerst “stapvoets”

Meerdere zones leggen “stapvoets” op. Dat is geen beeldspraak, het is een snelheid: die van een stappende voetganger, ongeveer 5 à 6 km/u. Concreet rijd je amper sneller dan iemand die rustig jogt. De motor draait, de auto kruipt.

ZoneSnelheidHet kernpunt
VoetgangerszoneStapvoetsVoor de zeldzame voertuigen die er binnen mogen
SchoolstraatStapvoetsBeperkte toegang, tijdens de aangegeven uren
SpeelstraatStapvoetsKinderen spelen over de volle breedte
Woonerf20 km/uVoetgangers hebben voorrang over de volle breedte
Erf20 km/uVoetgangers hebben voorrang over de volle breedte
Fietszone30 km/uVerbod om een fietser in te halen (zie 4.11)
Zone 30 en schoolomgeving30 km/uVaak getest op het examen

Woonerf en erf zijn 20, en de voetganger is er koning: hij mag midden op straat lopen en heeft voorrang. Jij bent de gast, niet omgekeerd.

Illustratie in voorbereidingOnder het bord bij de ingang nemen voetgangers de hele breedte van de rijbaan in en spelen er kinderen. De wagen rijdt achter hen, zonder te dringen: hier is de bestuurder te gast, en hij mag maar 20 km/u.
Illustratie in voorbereidingBij het uitgaan van de school: het zonebord 30 aan de ingang van de straat, het cijfer op de grond, een oversteekplaats en begeleide kinderen die oversteken. De wagen staat stil achter de streep.

De andere gevallen om te kennen

De verkeersdrempel (drempel, kussen of plateau) doet je gas lossen waar hij ligt; je nadert hem heel traag. De voorbehouden weg, dat bijzondere pad dat enkel voor bepaalde weggebruikers openstaat, wordt door wie er toegang toe heeft aan 30 km/u afgelegd. En ten slotte een geval dat vaak verkeerd benoemd wordt: het slepen van een defect voertuig.

Het slepen van een defect voertuig: 25 km/u

Wanneer een defect voertuig door een ander voertuig gesleept wordt (en dus niet getakeld door een professionele takeldienst), mag het geheel niet sneller dan 25 km/u rijden, en is dat slepen verboden op de autosnelweg en de autoweg. Het is een veiligheidssnelheid: de koppeling is vaak geïmproviseerd en het gesleepte voertuig remt slecht.

Illustratie in voorbereidingHet reliëf is van schuin opzij goed zichtbaar, met de witte pijlpunten op de helling. De wagen nadert stapvoets: er snel overrijden schudt de inzittenden door elkaar en beschadigt de vering.
Veelgemaakte fout
“Takelwagen” is een valstrik op het examen. De regel van 25 km/u geldt voor het slepen van een defect voertuig door een ander voertuig, met verbod op de autosnelweg. Verwar het niet met een professionele takelwagen in dienst.
4.6
Stap 4.6 op 18

De borden en de snelheidsveranderingen

De cijfers kennen volstaat niet: je moet ook weten wanneer een limiet begint en wanneer ze eindigt.

Plaatsnaam is geen bebouwde kom

Het plaatsnaambord plaatsnaambord, op gele achtergrond, dat de administratieve grens van een gemeente aankondigt, verandert niets aan de snelheid. Het meldt je dat je een plaats met een naam binnenrijdt, meer niet. Enkel het bord van de bebouwde kom begin bebouwde kom, met de naam van de gemeente op witte achtergrond, legt het regime van de bebouwde kom op; hetzelfde bord met een rode schuine streep einde bebouwde kom maakt er een einde aan. Het is dezelfde valstrik als in module 01, en hij komt vaak terug.

Waar een beperking met een bord begint en eindigt

Een beperking die snelheidsbeperking aangeeft (bijvoorbeeld 70) begint ter hoogte van het bord en blijft gelden tot een van deze gebeurtenissen: het volgende kruispunt, het bord einde beperking einde snelheidsbeperking, of het einde van de betrokken zone. Zolang niets daarvan opduikt, blijft de limiet gelden.

Let op: de beperking kan ook ZONAAL zijn

Er is een belangrijke uitzondering, heel vaak in Brussel. Wanneer een snelheidsbeperking boven het bord van de bebouwde kom staat, geldt hij niet “tot het volgende kruispunt”: hij geldt voor de hele bebouwde kom, op al haar wegen. Dat is de basis van de standaard 30 in Brussel. Het einde van die zonale beperking wordt aangeduid door het bord einde beperking met dezelfde waarde, boven het bord einde bebouwde kom bij het verlaten van de bebouwde kom.

Onthoud het verschil. Een beperking alleen, midden op straat: beperkte draagwijdte, hij vervalt bij het volgende kruispunt. Dezelfde beperking boven het bord bij de ingang van de bebouwde kom: zonale draagwijdte, hij geldt voor de hele bebouwde kom tot aan het bord einde beperking boven het bord einde bebouwde kom.

Illustratie in voorbereidingDe twee borden staan op dezelfde paal: de schijf 30 bovenaan, de naam van de gemeente op witte achtergrond eronder. Zo boven elkaar gelden ze niet tot het volgende kruispunt maar voor de hele bebouwde kom.

Een combinatie van borden lezen

Bij het verlaten van een autosnelweg dalen de snelheden trapsgewijs: vaak 120, dan 90, dan 70, dan de bebouwde kom. Het principe: elk bord annuleert het vorige. Je leest de borden in de volgorde waarin je ze tegenkomt, en het is henatst geziene bord dat geldt.

Illustratie in voorbereidingLangs de afrit volgen drie schijven elkaar op met dalende waarden: 120, dan 90, dan 70. Elk vernietigt het vorige — henatste dat je ziet, geldt.

De redenering snelheid plus voertuigcategorie

Een geduchte klassieker: een bord 60 met een onderbord “meer dan 3,5 t” eronder, en ernaast een 70 voor de anderen. Wat doet een auto? Een gewone auto weegt minder dan 3,5 ton, dus de 60 die voor vrachtwagens bedoeld is, geldt niet voor hem: hij rijdt 70. Je moet het onderbord lezen om te weten voor wie het cijfer bestemd is.

Veelgemaakte fout
Plaatsnaam op gele achtergrond: informatie, de snelheid verandert niet. Plaatsnaam op witte achtergrond: bebouwde kom. En vooral: een beperking boven het bord van de bebouwde kom is niet “vervalt bij het volgende kruispunt”, hij geldt voor de hele bebouwde kom.
4.7
Stap 4.7 op 18

De valstrik van de “jonge bestuurder”

Dit punt kost weinig moeite om te leren, en het levert zekere punten op, want veel kandidaten oefenen zonder het te beseffen op Franse sites.

In België geen verlaagde snelheid voor nieuwe bestuurders

Onthoud het goed: in België is een jonge bestuurder, een beginnende bestuurder of een houder van een voorlopig rijbewijs onderworpen aan exact dezelfde snelheidsbeperkingen als iedereen. Er bestaat geen enkele verlaagde limiet voor beginners. Op de autosnelweg mag wie net zijn rijbewijs heeft, 120 rijden zoals de anderen.

In Frankrijk is dat anders: daar zijn bestuurders in de proefperiode begrensd (bijvoorbeeld 110 in plaats van 130 op de autosnelweg). Oefen je op Franse vragen, dan riskeer je een regel te onthouden die hier niet bestaat. Op het Belgische examen is het juiste antwoord: dezelfde limiet voor iedereen.

Dat betekent niet dat er niets strenger is voor een beginner. De gevolgen van een zware overtreding (intrekking, verval van het recht tot sturen) kunnen zwaarder wegen in het begin, maar dat is een kwestie van straf, niet van snelheidslimiet. Die sancties komen aan bod in module 09.

Veelgemaakte fout
Een strikvraag overgeschreven uit Frankrijk: “is de jonge bestuurder beperkt tot 90 buiten de bebouwde kom?”. In België, nee: hij past dezelfde limieten toe als iedereen. Laat je niet vangen door Franse inhoud.
4.8
Stap 4.8 op 18

Reactietijd en stopafstand

Dit is het fysieke hart van de module, en het deel dat op het examen het verschil maakt. Begrijp het één keer, en je slaat nooit meer de bal mis.

De stopafstand, in twee stukken

Wanneer je bruusk moet stoppen, staat je auto niet stil op het moment dat je het gevaar ziet. Er gebeuren twee dingen, na elkaar:

  • De reactieafstand: de weg die je aflegt terwijl je brein de info verwerkt en je voet naar de rem gaat. De auto rijdt nog op volle snelheid.
  • De remafstand: de weg die je aflegt zodra je echt remt, tot volledige stilstand.

Stopafstand = reactieafstand + remafstand. De twee tellen op, en beide nemen toe met de snelheid.

Illustratie in voorbereidingTwee segmenten na elkaar onder de rijbaan. Op het eerste, het kortste, rijdt de wagen nog even snel: dat is de reactietijd. Op het tweede, henngste, remt hij tot stilstand. De accolade eronder omvat beide: dat is de stopafstand.

De reactie duurt ongeveer 1 seconde

Eén seconde lijkt kort. Aan wegsnelheid is ze enorm. Om te weten hoeveel meter je in die ene seconde aflegt, deel je je snelheid door 3,6. Waarom 3,6? Omdat je teller kilometer per uur aangeeft, terwijl een seconde zich in meter per seconde meet, en omdat er precies 3,6 keer meer kilometer per uur zijn dan meter per seconde. Delen door 3,6 vertaalt je teller dus gewoon naar het aantal meter dat je elke seconde inslikt.

  • Aan 50 km/u: ongeveer 14 meter tijdens die ene reactieseconde. De lengte van een oplegger, met je ogen dicht.
  • Aan 90 km/u: ongeveer 25 meter. Een tennisterrein in de lengte, nog vóór je de rem hebt aangeraakt.
  • Aan 120 km/u: ongeveer 33 meter. De lengte van een olympisch zwembad, blindelings afgelegd.

Eén enkele methode dus, en ze volstaat voor het examen: je snelheid gedeeld door 3,6. Onthoud minstens de drie resultaten hierboven, dat zijn de cijfers die gevraagd worden.

Wat de reactietijd verlengt

Eén seconde, dat is voor een uitgeruste, aandachtige bestuurder. Al de rest verlengt die tijd, en dus de afstand: de vermoeidheid, de alcohol, de drugs, bepaalde medicijnen, en de gsm. Een bericht lezen haalt je blik ongeveer twee seconden van de weg, goed voor bijna 66 meter aan 120 km/u zonder de weg te zien. De sancties rond alcohol, drugs en telefoon staan in module 09.

De remafstand hangt van meerdere dingen af

Remmen is geen constante. Het verlengt naargelang:

  • De snelheid, veruit de belangrijkste factor (zie het kwadraateffect hierna).
  • De staat van de banden: versleten grijpen ze minder.
  • De staat van de rijbaan: nat verlengt ze alles (punt 4.12).
  • De belading van het voertuig: zwaarder is langer om te stoppen.
  • De helling: bergaf ontploft de remafstand.

Grootteordes, met hun aannames

Hier volgen totale stopafstanden (reactie plus remmen) om als grootteorde te onthouden. Ze gaan allemaal uit van: droge rijbaan, banden in goede staat, noodstop.

  • Aan 50 km/u: in de orde van 30 meter om te stoppen.
  • Aan 90 km/u: in de orde van 70 meter.
  • Aan 120 km/u: in de orde van 95 à 110 meter, naargelang de rekenmethode.

Het kwadraateffect: het kernbegrip van het examen

Dit is de regel om in te prenten: als je je snelheid verdubbelt, verviervoudig je je remafstand. Niet het dubbele, het viervoudige. De snelheid telt “in het kwadraat”. Een sprekend voorbeeld: aan 50 km/u heb je ongeveer 14 meter remafstand nodig; aan 100 km/u heb je er geen 28 nodig, maar bijna 56 meter, dus vier keer meer. Je hebt de teller verdubbeld, je hebt de muur voor je verviervoudigd.

Illustratie in voorbereidingBeide balken vertrekken vanaf hetzelfde punt. Die van 100 is precies vier keer langer dan die van 50, en niet twee: de remafstand volgt het kwadraat van de snelheid.
Illustratie in voorbereidingDrie balken op dezelfde schaal, voor 50, 90 en 120. In elke balk is het lichte deel de reactie en het donkere deel het remmen. De reactie groeit gelijkmatig; het remmen loopt op hol.

Beladen voertuig, afdaling, bochten

Een beladen voertuig of eentje dat een afdaling in snelt, heeft meer afstand nodig om te stoppen: de massa en de zwaartekracht werken tegen je. In bochten komt een ander verschijnsel kijken. Een rijdende wagen wil rechtdoor blijven gaan; het is de grip van de banden die hem doet draaien. Die weerstand tegen het veranderen van richting voel je als een duw naar de buitenkant van de bocht, en dat noemt men de middelpuntvliedende kracht. Hoe sneller je rijdt, hoe sterker ze is, en hoe meer grip je nodig hebt om ze te weerstaan. Daarom vertraag je vóór de bocht, nooit erin: remmen midden in de bocht vraagt de auto twee dingen tegelijk, sturen én stoppen, terwijl hij niet genoeg grip meer heeft voor allebei.

Het tunnelzicht

Hoe sneller je rijdt, hoe meer je gezichtsveld versmalt. Bij stilstand zie je breed; aan 120 concentrumert je blik zich ver vooruit en vervagen de zijkanten. Dat noemen we het tunnelzicht. Gevolg: aan hoge snelheid zie je minder goed wat van opzij opduikt, net op het moment dat je het minste tijd hebt om te reageren.

De noodstop in twee zinnen

Moet je een noodstop maken: duw hard en hou de druk aan. Slaat de ABS aan, dan trilt het pedaal onder je voet, dat is normaal, laat vooral niet los. De details over noodreacties staan in module 08. De elektronische snelheidshulpmiddelen (cruisecontrol, snelheidsbegrenzer, assistentie) komen aan bod in 4.14.

Veelgemaakte fout
Het kwadraateffect is HÉT fysische begrip van het examen: snelheid x2: remmen x4, niet x2. Verdubbel de snelheid, en je verviervoudigt de remafstand.
4.9
Stap 4.9 op 18

Snelheid en zicht bij nacht

's Nachts wordt de gouden regel van 4.0 met het blote oog zichtbaar. Je kan enkel stoppen binnen wat je verlicht, en je koplampen reiken veel minder ver dan je denkt.

De echte reikwijdte van de dimlichten

Met je dimlichten (de lichten die je gebruikt wanneer je andere weggebruikers kruist) verlicht je de weg nuttig tot ongeveer 30 meter voor je. Daarna is het donker. In 4.8 zagen we dat je stopafstand aan 90 km/u in de orde van 70 meter ligt. Maak de rekensom: je rijdt richting een zone waar je niet meer voor kan stoppen.

Concreet: aan 90 km/u bij nacht, met dimlichten, duikt een onverlicht stilstaand obstakel (een donker geklede voetganger, een dier, een gevallen voorwerp) te laat in je licht op om te stoppen. Je rijdt “voorbij je koplampen”. Het is de exacte illustratie van de gouden regel: je snelheid moet binnen de afstand blijven die je ziet, niet omgekeerd.

Wat te doen

  • 's Nachts vertragen, ook onder de limiet, zodat je stopafstand binnen je verlichte zone past.
  • De grootlichten gebruiken wanneer de weg vrij is: die reiken veel verder. Je dimt ze zodra een weggebruiker je tegemoetkomt of je iemand van dichtbij volgt.
  • Opletten voor de zones zonder openbare verlichting, waar enkel je koplampen tellen.
Illustratie in voorbereidingDe lichtbundel van de dimlichten stopt abrupt na een dertigtal meter. De balk van de stopafstand loopt veel verder door en eindigt in het donker, waar de voetganger staat: aan die snelheid rem je voor iets dat je nog niet gezien hebt.

De details over de verlichting van het voertuig (welke lichten, wanneer aansteken) staan in module 08.

Veelgemaakte fout
“'s Nachts op een weg waar 90 mag, mag ik 90 rijden.” Op papier ja, in de praktijk niet: met dimlichten zie je 30 meter en heb je er 70 nodig om te stoppen. De onaangepaste snelheid loert.
4.10
Stap 4.10 op 18

Kinetische energie en de ernst van de klap

Waarom zo hameren op enkele km/u? Omdat de snelheid niet “een beetje” meespeelt in de hevigheid van een klap: ze speelt in het kwadraat.

De snelheid verdubbelen verviervoudigt de energie

Een rijdend voertuig verzamelt energie, alleen al omdat het in beweging is. Dat noemt men de kinetische energie: bij een botsing moet al die energie ergens opgevangen worden, door het plaatwerk en door de lichamen. Ze groeit niet in hetzelfde tempo als de teller: ze hangt af van het kwadraat van de snelheid. Concreet vertaald: verdubbel je je snelheid, dan wordt de energie van de klap vermenigvuldigd met vier, niet met twee. Het is dezelfde wet als het kwadraateffect op het remmen (4.8): de snelheid is veruit de belangrijkste factor.

Een klap aan 50 km/u maakt niet “een beetje meer” energie vrij dan aan 30: hij maakt er bijna drie keer meer vrij (50 in het kwadraat tegenover 30 in het kwadraat). Daarom verandert in de stad elke schijf van 10 of 20 km/u alles voor een voetganger.

De voetganger: 30 of 50, dat is een wereld van verschil

Voor een aangereden voetganger is het verschil tussen 30 en 50 km/u van levensbelang. De overlevingskansen dalen snel met de snelheid: in de orde van 99 % aan 30 km/u tegenover 95 % aan 50 km/u, en vooral: het risico om gedood te worden ligt ongeveer vijf keer hoger aan 50 dan aan 30 km/u. Net die redenering ligt aan de basis van de Brusselse “Stad 30”: de basissnelheid verlagen verschuift de overleving van voetgangers massaal van de verkeerde naar de goede kant.

Illustratie in voorbereidingDezelfde aanrijding, twee keer getekend. Onder elk beeld de overlevingsmeter: lang bij 30, kort bij 50. Twintig kilometer per uur verschil scheidt twee heel verschillende afloopen.
Veelgemaakte fout
“50 in plaats van 30, dat is maar 20 km/u meer.” Nee: de energie van de klap stijgt veel sneller dan de snelheid. Voor een voetganger beslissen die 20 km/u vaak over leven of dood.
4.11
Stap 4.11 op 18

De veiligheidsafstanden

Je snelheid onder controle houden dient tot niets als je tegen de auto voor je plakt. De afstand erachter is je enige reserve wanneer die plots remt.

De 2-secondenregel

Vergeet het rekenen in meters achter het stuur, niemand doet dat tijdens het rijden. Gebruik de tijd. De methode: wanneer de auto voor je een vast punt passeert (een paal, een bord, een schaduw op de weg), tel je “eenentwintig, tweeëntwintig”. Bereik je het punt vóór je klaar bent met tellen, dan zit je te dicht. Je plakt.

Het voordeel van tellen in seconden in plaats van meters: het past zich vanzelf aan de snelheid aan. Aan 50 net als aan 120 geven twee seconden je dezelfde reactiemarge.

Illustratie in voorbereidingEen paal langs de weg dient als referentiepunt. Op het eerste beeld passeert de voorste wagen hem en start de chronometer op nul; op het tweede komt de volgende wagen erbij en staat de chronometer op twee seconden.

Bij slecht weer verdubbel je

De 2-secondenregel geldt op een droge weg. Zodra het slechter wordt:

  • Regen: ga naar 4 seconden. Je verdubbelt de marge, want ook je remafstand is verdubbeld.
  • Mist, sneeuw, ijzel: nog meer. Waar je niet ver ziet en slecht remt, volstaan twee seconden niet meer.

Het echte gevaar van plakken

Wanneer je plakt, schrap je je reactieafstand. Remt die voor je hard, dan heb je nergens nog tijd voor: je voet staat nog niet op de rem of je zit al in zijn koffer. Plakken doet je geen tijd winnen, het brengt alleen het ongeval dichterbij.

De 50-meterregel voor zware of lange voertuigen

Een cijfermatige regel om te kennen, ook al mikt hij vooral op de grote voertuigen: buiten de bebouwde kom moet een voertuig of sleep van meer dan 7,5 ton of meer dan 7 meter lang minstens 50 meter houden tot wie voorligt. Doel: kettingbotsingen van vrachtwagens vermijden en de anderen plaats laten om in te halen en terug in te voegen.

Let op voor de valse herinnering: er bestaat geen regel die “50 meter achter een prioritair voertuig” oplegt. Achter een prioritair voertuig in actie is de echte regel: het doorgang verlenen en de weg vrijmaken, geen cijfermatige afstand. De prioritaire voertuigen komen aan bod in module 03.

De afstand opzij: een fietser inhalen

Veiligheid speelt zich niet alleen vooraan af. Om een fietser te kruisen of in te halen, moet je een zijdelingse ruimte laten:

  • 1 meter in de bebouwde kom
  • 1,5 meter buiten de bebouwde kom, waar de snelheden hoger liggen

Anderhalve meter, dat is ongeveer de breedte van een open portier. Kan je die ruimte nienten, dan haal je niet in: je wacht.

Fietsstraat en FIETSZONE: verbod om in te halen

Een bijzonder geval om goed te onthouden. In een fietsstraat net als in een fietszone zijn auto's toegelaten, maar mogen ze een fietser nooit inhalen, en ligt de snelheid er nooit hoger dan 30 km/u. Velen denken dat het verbod enkel geldt in een fietsstraat: het geldt ook in een fietszone. Je blijft achter de fietser, ook al rijdt hij traag.

Illustratie in voorbereidingVan bovenaf meet de dubbele pijl de afstand tussen de flank van de wagen en het stuur van de fiets: anderhalve meter buiten de bebouwde kom. De wagen is daarvoor duidelijk uitgeweken.
Veelgemaakte fout
Twee valstrikken tegelijk. De 2-secondenregel geldt bij droog weer; bij regen is het 4. En het verbod om een fietser in te halen geldt ook in een fietszone, niet alleen in een fietsstraat.
4.12
Stap 4.12 op 18

De staat van de rijbaan en de grip

Al die fysica steunt op één ding: de grip, de band tussen je banden en het wegdek. Zodra die verzwakt, worden je afstanden langer en neemt je controle af. Dan moet je je snelheid aanpassen aan de echte staat van het wegdek.

Droog tegenover nat

Op een natte weg vermindert de waterfilm de grip: je remafstand wordt duidelijk langer, en net daarom gaat de regel naar 4 seconden. Een glimmend wegdek na een bui is verraderlijker dan het lijkt.

Illustratie in voorbereidingZicht vanaf de bestuurdersplaats in hevige regen: de ruitenwissers draaien voluit, de wagen vooraan spuit water op, en de markeringen op de grond verdwijnen onder de weerspiegelingen.

Aquaplaning

Wanneer er te veel water ligt en je te snel rijdt, krijgen je banden het water niet meer weg: ze drijven erop, als een waterski. Dat is aquaplaning. Het stuur wordt licht, de auto reageert niet meer. De juiste reactie zit in drie handelingen:

  • Laat het gaspedaal los, zonder ruk.
  • Hou het stuur recht, stuur niet in.
  • Rem niet bruusk. Je wacht tot de banden opnieuw contact maken.
Illustratie in voorbereidingDezelfde band, twee keer. Links duwen de groeven het water opzij en raakt het rubber het asfalt. Rechts kan het water niet meer weg: het vormt een wig die de band optilt, en het contact is weg.

IJzel, sneeuw, vorst

De koude voegt haar eigen valstrikken toe. Twee die je absoluut moet kennen:

  • Bruggen en viaducten bevriezen het eerst: de lucht passeert eronder, ze koelen langs twee kanten af. Een weg kan veilig zijn en de brug er net achter ijzelglad.
  • De schaduwzones (onder bomen, aan de voet van een muur, in een kom) houden de vorst vast terwijl de rest ontdooit in de zon.
Illustratie in voorbereidingDe aangereden sneeuw laat maar twee bandensporen over. De randen van de rijbaan en alle markeringen zijn onder de witte laag verdwenen: je weet niet meer precies waar de weg ophoudt.

De verraderlijke oppervlakken

De grip valt ook weg op oppervlakken die je nauwelijks opmerkt: steenslag, dode bladeren, modder, gemorste diesel of olie. En twee stedelijke valstrikken: de geschilderde markeringen en de tramsporen, die glad worden zodra ze nat zijn. Een fietser of tweewieler die zijn wiel op een natte rail zet, gaat in een fractie van een seconde tegen de grond.

Veelgemaakte fout
Natuurlijke reflex bij aquaplaning: remmen en insturen. Dat is het slechtste. Zonder grip haalt het niets uit, behalve een slip veroorzaken wanneer de banden weer grijpen. Je lost gas en houdt recht.
4.13
Stap 4.13 op 18

Snelheid in uitzonderlijke situaties

Sommige situaties veranderen de spelregels zolang ze duren. Ze komen geregeld op het examen.

Werven en versmallingen

In de buurt van een werf wordt de signalisatie oranje en gaat ze vóór op de gewone signalisatie. Ze legt vaak een verlaagde snelheid op (bijvoorbeeld 50 of 70 waar je 120 reed) en rijstrookversmallingen. Je vertraagt vanaf de aankondiging, je remt niet op henatste moment, en je rijdt tot het einde van je rijstrook voor je invoegt wanneer een rijstrook sluit (het ritsprincipe, zie module 03).

Filevorming en reddingsstrook

Zodra er een file ontstaat op een rijbaan met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, moet je een reddingsstrook maken om de prioritaire voertuigen te laten passeren. Verplicht sinds 1 oktober 2020, en de regel is simpel:

  • Twee rijstroken: de voertuigen links houden links, die rechts houden rechts. De strook ontstaat in het midden.
  • Drie of meer rijstroken: de linkerrijstrook houdt links, alle andere houden rechts. De strook ontstaat tussen de linkerrijstrook en de volgende.
Illustratie in voorbereidingAlle files staan stil. De voertuigen links zijn tegen de middenberm geschoven, de andere naar rechts, en de vrije doorgang die daartussen ontstaat loopt over de hele lengte van het beeld. De ziekenwagen rijdt er ononderbroken door.

Bij het naderen van een prioritair voertuig

Wanneer een prioritair voertuig aankomt met alle lichten en sirene, moet je het doorgang verlenen en de weg vrijmaken: opzij gaan, zo nodig stoppen, zonder gevaarlijke manoeuvre. Er is geen “afstand van 50 meter” om achter hem te houden (zie 4.11); wat men van je verwacht, is de doorgang vrijmaken. De details over prioritaire voertuigen staan in module 03.

De tunnels

In een tunnel steek je je dimlichten aan, respecteer je de aangegeven snelheid en de aangeduide veiligheidsafstand, en stop je niet, behalve bij nood. Bij file in een tunnel zet je de motor af als het stilstaan aansleept, en hou je afstand: het is een gesloten ruimte waar elk incident snel ernstig wordt.

Veelgemaakte fout
Velen denken dat je “op 50 meter achter” een prioritair voertuig moet blijven. Fout. Wat men van je vraagt, is de weg vrijmaken en het doorgang verlenen. En de reddingsstrook maak je al bij de file, niet pas wanneer de sirene eraan komt.
4.14
Stap 4.14 op 18

De elektronische snelheidshulpmiddelen

Je auto helpt je steeds meer om de juiste snelheid aan te houden. Maar je moet wel weten wat elk hulpmiddel doet, en vooral wat het niet doet. Geen enkel rijdt in jouw plaats.

De ISA: de intelligente snelheidsassistentie

De ISA (intelligente snelheidsassistentie) is verplicht op nieuwe voertuigen die in de Europese Unie verkocht worden: op de nieuwe voertuigtypes sinds 6 juli 2022, en op alle nieuwe voertuigen sinds 7 juli 2024. Ze leest de snelheidslimiet (camera voor de borden plus gps-kaart) en verwittigt je wanneer je die overschrijdt, met een visueel of geluidssignaal of een lichte weerstand op het pedaal.

Wat de ISA niet doet: ze remt niet in jouw plaats en begrenst het voertuig niet met dwang. Je houdt op elk moment de controle, je kan er met gas geven voorbij gaan, en het systeem kan uitgeschakeld worden. Maar het schakelt zich bij elke start opnieuw in: het is een hulp, geen piloot.

Begrenzer, cruisecontrol, adaptieve cruisecontrol

  • De snelheidsbegrenzer belet je een snelheid te overschrijden die jij hebt ingesteld. Handig in de stad om niet ongemerkt boven 30 of 50 te gaan. Je kan hem forceren door het pedaal volledig in te duwen, als het nodig is.
  • De cruisecontrol houdt vanzelf de gekozen snelheid aan. Comfortabel op een vrije autosnelweg, maar uit te schakelen op een gladde weg: hij kan de wielen op het verkeerde moment weer aanjagen.
  • De adaptieve cruisecontrol gaat verder: hij houdt de snelheid én de afstand tot het voertuig voor je aan, en vertraagt vanzelf wanneer je dichterbij komt. Praktisch, maar hij ziet niet alles (een voetganger die uitwijkt, een stilstaand voertuig dat slecht gedetecteerd wordt): je oplettendheid blijft onmisbaar.
Illustratie in voorbereidingHet paneel toont drie dingen tegelijk: de werkelijke snelheid, de limiet die de camera net van een bord heeft afgelezen, en henmpje van de ingeschakelde regelaar. De twee cijfers komen niet helemaal overeen: het hulpmiddel informeert, het rijdt niet in jouw plaats.
Veelgemaakte fout
De ISA is geen “begrenzing”: ze verwittigt je, ze belet je niet te versnellen en ze kan uit. Denken dat ze je aan de limiet tegenhoudt, is fout. De verantwoordelijke voor de snelheid, dat blijf jij.
4.15
Stap 4.15 op 18

Banden, kettingen en vervuilingspieken

Enkele bijzondere regels vervolledigen het plaatje. Ze komen minder vaak, maar ze maken het verschil tussen 45 en 50 op 50.

De spijkerbanden: in principe verboden

In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, zijn spijkerbanden verboden in België. Ze mogen enkel gebruikt worden met een uitzonderlijke ministeriële toelating, wanneer de winterse omstandigheden het rechtvaardigen. Het is dus geen uitrusting die “'s winters vrij” is.

Wanneer dat gebruik toegelaten is, is het strikt afgebakend: een beperkte periode (van 1 november tot 31 maart), voertuigen tot 3,5 ton, en vooral eigen maximumsnelheden die lager liggen dan normaal, in de orde van 90 km/u op de autosnelweg en 60 km/u op de andere wegen, met een schijf “60” achteraan het voertuig. De spijker grijpt minder goed op het droge en beschadigt de weg, vandaar die limieten.

De sneeuwkettingen

Sneeuwkettingen monteer je enkel op een weg die echt besneeuwd of ijzelglad is, ze leggen een beperkte snelheid op en beschadigen droog asfalt. Met kettingen op een vrije weg rijden vernielt ze en beschadigt de rijbaan.

De SMOG

Bij een vervuilingspiek kunnen de overheden tijdelijke snelheidsbeperkingen opleggen om de uitstoot te verminderen. Die verlaagde limieten gelden zolang de episode duurt en worden met signalisatie aangekondigd.

Veelgemaakte fout
“Spijkerbanden zijn 's winters toegelaten.” Fout in België: ze zijn verboden, behalve met een uitzonderlijke ministeriële toelating, en dan met verlaagde snelheden.
4.16
Stap 4.16 op 18

De snelheidscontroles en de tolerantie

We sluiten het technische deel af met een veelgevraagd punt: hoe je snelheid gemeten wordt, en de marge die geldt vóór een overtreding weerhouden wordt. Hier gaat het over het mechanisme, niet over de straf: de straffen staan in module 09.

De technische tolerantiemarge

Toestellen zijn nooit perfect, dus wordt er altijd een technische marge afgetrokken van de gemeten snelheid vóór een overtreding weerhouden wordt: 6 km/u tot 100 km/u, en daarna 6 % van de snelheid boven 100 km/u. Voorbeeld: in een zone aan 120 wordt de overtreding pas weerhouden vanaf ongeveer 128 km/u, eens de marge afgetrokken is.

Die marge is geen “recht om sneller te rijden”: het is een correctie in jouw voordeel om de onnauwkeurigheid van het toestel te compenseren. De limiet blijft die van het bord. Mik altijd op het aangegeven cijfer, niet op de marge.

De verschillende controles

  • Vaste flitspaal: meet je momentele snelheid op een precies punt, met een foto als bewijs.
  • Trajectcontrole: leest je nummerplaat op punt A, dan op punt B, en berekent je gemiddelde snelheid over de hele afstand. “Net voor de flitspaal remmen” kan niet: alleen je gemiddelde telt.
  • Lidar: een toestel met laserstraal, vaak op een driepoot, heel nauwkeurig, gebruikt bij mobiele controle.
  • Anonieme wagen: een politiewagen zonder striping met een meetsysteem, voor discrete controles in het verkeer.
Illustratie in voorbereidingTwee portieken bakenen het traject af. Ertussen is dezelfde wagen drie keer getekend: traag aan het eerste portiek, snel in het midden, traag aan het tweede. Het gemiddelde over het hele traject wordt berekend, niet de snelheid bij het passeren.
Veelgemaakte fout
“Ik rem net voor de flitspaal.” Dat werkt voor een vaste flitspaal, niet voor een trajectcontrole, die je gemiddelde tussen twee punten meet. En de technische marge is geen snelheidsbonus: de limiet blijft die van het bord.
4.17
Stap 4.17 op 18

Eindsamenvatting

De hele module past op deze pagina. Onthoud je wat volgt, dan heb je het thema beet.

De grote tabel van de snelheden per plaats

SituatieWalloniëVlaanderenBrussel
Bebouwde kom505030 (standaard)
Buiten bebouwde kom, gewone weg907070
Weg met centrale rijbaan7070regime van de weg
AutowegGewoon regime volgens de borden (niet automatisch 120)
2x2 met middenberm (buiten bebouwde kom)120120120
2x2 met enkel markering (buiten bebouwde kom)907070
Autosnelweg120 maximum, op alle rijstroken (toegang verboden als het voertuig geen 70 aankan)
Woonerf / erf20 km/u, voetganger heeft voorrang
Zone 30, schoolomgeving, fietszone30 km/u (in de fietszone zonder de fietser in te halen)
Voetgangerszone, schoolstraat, speelstraatStapvoets (5 à 6 km/u)
Slepen van een defect voertuig25 km/u, nooit op de autosnelweg

De snelheden per voertuigcategorie

VoertuigMaximumsnelheid
Bromfiets klasse A, elektrische step (voortbewegingstoestel)25 km/u
Bromfiets klasse B, speedpedelec45 km/u
Voertuig van meer dan 3,5 t (waaronder grote mobilhome), autocar90 km/u op de autosnelweg (minder buiten de bebouwde kom)
Gewone autoVolgens de plaats (tabel hierboven)

De categorielimiet gaat altijd voor wanneer ze lager is dan het bord.

De drie formules om te onthouden

  • Stopafstand = reactieafstand + remafstand.
  • Snelheid x2: remmen x4 (en energie van de klap x4). Dat is het kwadraateffect.
  • 2 seconden afstand, 4 bij regen.

* Bronnen van deze module: koninklijk besluit van 1 december 1975, artikelen 2, 9, 10 en 11 (aangepaste en overdreven snelheid, algemene beperkingen), 18 (afstand tussen voertuigen), 21 (autosnelweg), 22 (autoweg), 40ter (kwetsbare weggebruikers) en 49 (slepen); technisch reglement van 15 maart 1968 voor de constructiesnelheden; ministerieel besluit van 28 september 1976 voor de spijkerbanden; verordening (EU) 2019/2144 voor de snelheidsassistentie. De snelheidsbeperkingen zijn gewestelijk: Wallonië, Vlaanderen en Brussel-Hoofdstad.

Veelgemaakte fout
Als je maar één zin mocht onthouden: de limiet is een maximum in normale omstandigheden, nooit een verplichting om snel te rijden.

Theorie gelezen? Test jezelf.

Ga de uitdaging aan met de quiz van deze module — verbeterde vragen, examenstijl.

Doe de quiz van de module →
Discussies over deze module Naar het forum

Nog geen vraag over deze module. Stel de jouwe: ze helpt iedereen die zich hetzelfde afvraagt.

Een vraag stellen