Module 10 · Cursus · 16 secties · 42 min lezen

Het voertuig: uitrusting & onderhoud

De auto is geen zwarte doos. Het is een machine waarvoor jij verantwoordelijk bent, en ze kennen verandert alles: je merkt slijtage op vóór de panne, je begrijpt waarom een regel bestaat, en je gaat rustiger door de technische controle van het voertuig op de dag van je praktijkexamen. Want deze module dient voor de twee proeven, de theorie en de praktijk. Het is ook de module met de meeste cijfers, en dus datgene waarover het examen de meeste vragen met één juist antwoord stelt. Om ze niet blind vanbuiten te leren, hou je één rooster in je hoofd, dat op elke pagina terugkomt. Bij om het even welke technische verplichting vraag je je af op welke van deze drie vragen ze een antwoord geeft. Eén, ZIE IK: de verlichting, de ruiten, de ruitenwissers, de spiegels. Twee, WORD IK GEZIEN: de lichten, de nummerplaat, de reflectoren, de signalisatie van de lading. Drie, KAN IK STOPPEN EN STUREN: de banden, de remmen, de stuurinrichting, de massa's, de lading. Ik zie, ik word gezien, ik stop. Onthoud je dit rooster, dan vind je de logica van een vergeten regel terug. En voor elk onderdeel leggen we je eerst uit waarvoor het dient, vóór we zeggen wat de wet oplegt: een cijfer dat uit een functie volgt, blijft hangen; een cijfer dat je los leert, vergeet je.

10.0
Stap 10.0 op 16

De vertrekcontrole

We beginnen met wat je echt doet. Het praktijkexamen test het, en je blijft het je hele rijleven doen. De meeste defecten die tot een ongeval leiden, zie je namelijk al voor je vertrekt. Dertig seconden aandacht, of een panne op de snelweg: kies maar.

Illustratie in voorbereidingElke technische verplichting antwoordt op een van deze drie vragen. Onthoud het rooster, dan vind je de regel terug.

De rondgang rond het voertuig

Voor je instapt, loop je rond. Je zoekt vijf dingen: banden die zichtbaar plat of beschadigd zijn, een gebroken licht, een nummerplaat die onleesbaar geworden is, een vlek onder de wagen die een lek verraadt, en een obstakel of een kind achter je. Het is het enige moment waarop je je auto van buitenaf ziet.

De rijhouding

Goed afgesteld maakt ze je precies en beschermt ze je. In volgorde:

  • De zetel: schuif naar achter of naar voor tot je benen licht gebogen zijn wanneer je het pedaal volledig indrukt, en je polsen bovenaan het stuur vallen met gestrekte armen.
  • De rugleuning: bijna rechtop, om de controle en het contact met de zetel te bewaren.
  • De hoofdsteun: de bovenkant ervan op de hoogte van je kruin, niet van je nek. Slecht afgesteld houdt hij je hoofd niet tegen bij een aanrijding van achteren en beschermt hij niet tegen de zweepslag.
  • De spiegels: stel ze af zodra je goed geïnstalleerd zit (zie verder).
Illustratie in voorbereidingBenen licht gebogen, polsen bovenaan het stuur, hoofdsteun op de hoogte van je kruin: een goede houding maakt je precies en beschermt je.

Het afstellen van de spiegels

Stel de drie spiegels zo af dat je net een streepje van je eigen koetswerk ziet aan de binnenrand: zo verbreed je het zichtveld en verklein je de dode hoek. Let op, een goede afstelling verkleint de dode hoek maar heft hem niet op: de blik over je schouder blijft onmisbaar.

Illustratie in voorbereidingGoed afgesteld dekken de spiegels breed, maar achteraan opzij blijft een zone blind: vandaar de blik over je schouder.

De gordel, meteen

Doe hem om vóór je vertrekt: mooi vlak, zonder draai, de band laag over de heupen en niet over de buik, de diagonaal over de schouder en niet in de hals. De werking en de technische rol komen aan bod in punt 10.9.

Het starten en de eerste ogenblikken

De volgorde van de handelingen: zetel, spiegels, gordel, dan het contact. Op dat moment kijk je naar het dashboard: alle verklikkerlichten lichten op, en doven dan weer uit. Een verklikkerlicht dat blijft branden wijst op een afwijking. Het is een gratis gezondheidstest, bij elke start. Daarna, met het rempedaal ingedrukt, vertrek je. De eerste kilometers, met koude motor en met remmen en banden die nog niet op temperatuur zijn, vragen een zachtere rijstijl.

Illustratie in voorbereidingDe rondgang rond je wagen in dertig seconden: banden, lichten, nummerplaat, lek, obstakel, ruiten. De reflex die de panne voorkomt.

De periodieke controles

Niet elke dag, maar wel regelmatig: de peilen (olie, ruitensproeier, koelvloeistof, punt 10.5), de bandenspanning (punt 10.3), de staat van de ruitenwissers, en de goede werking van de lichten (laat je helpen door iemand, of kijk naar hun weerschijn in een etalage).

Veelgemaakte fout
De hoofdsteun stel je niet af op de hoogte van je nek maar op de hoogte van je kruin: verkeerd geplaatst houdt hij de beweging van je hoofd niet tegen bij een aanrijding van achteren en beschermt hij niet tegen de zweepslag.
10.1
Stap 10.1 op 16

De massa's: MTM, werkelijke massa en wat ik mag besturen

Hier wordt veel op getest. Het bepaalt zelfs welk rijbewijs je nodig hebt. En alles begint bij twee begrippen die je nooit door elkaar mag halen.

De definities

  • De MTM, maximaal toegelaten massa: het maximale totaalgewicht van het voertuig, vastgelegd door de constructeur op basis van de stevigheid van de onderdelen. Het is een theoretische grens, ze staat op het inschrijvingsbewijs en verandert nooit.
  • De massa in beladen toestand: het werkelijke gewicht van het voertuig op een bepaald moment, passagiers en lading inbegrepen. Ze wordt op een weegbrug gemeten en verandert voortdurend.
  • De eigen massa (lege massa): het voertuig alleen, zonder passagiers of lading.
  • Henadvermogen: wat je mag toevoegen, oftewel de MTM min de eigen massa.
Illustratie in voorbereidingDe MTM is een vaste grens op het inschrijvingsbewijs; de massa in beladen toestand is het werkelijke gewicht, dat bij elke lading verandert. Verwar ze nooit.

Een massa in beladen toestand berekenen

Het examen houdt van deze berekening. De methode is simpel: je telt de eigen massa, het gewicht van de passagiers en het gewicht van de lading op. Voorbeeld: een wagen van 1300 kg leeg, met 4 personen van 70 kg (280 kg) en 120 kg bagage, komt op een werkelijke massa van 1700 kg. Als zijn MTM 1900 kg is, is alles in orde; je hebt nog 200 kg marge. Voeg je een aanhangwagen of zwaar materiaal toe en ga je boven 1900 kg, dan zit je in overlading.

Wat rijbewijs B toelaat

Met rijbewijs B mag je een auto, break, monovolume, bestelwagen of minibus besturen, zolang de MTM niet boven 3500 kg gaat en het voertuig niet meer dan 8 zitplaatsen telt naast die van de bestuurder. Het detail van de rijbewijscategorieën staat in module 09; de aanhangwagen en de koppeling komen aan bod in punt 10.11.

De overlading

De MTM overschrijden is geen detail. Een overladen wagen remt verder, ligt minder goed op de weg, slijt en verhit zijn banden tot ze dreigen te klappen, en put zijn remmen uit. Het is een overtreding, met sanctie. ZF

De valstrik van de massaborden

Naargelang het bord slaat de grens niet op dezelfde massa, en dat is een klassieker op het examen.

Het ronde bord met rode rand en een cijfer in ton maximale toegelaten massa in beladen toestand mikt op de WERKELIJKE massa in beladen toestand op het moment dat je passeert, niet op de MTM van je inschrijvingsbewijs. Een bestelwagen die die dag licht beladen is, mag er dus onderdoor, ook al ligt zijn MTM hoger dan het aangegeven cijfer.

Het ronde bord met rode rand waarop een bestelwagen staat verboden toegang voor voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken mikt daarentegen op het type voertuig: het verbiedt voertuigen bestemd voor het vervoer van zaken. Aangevuld met een onderbord met tonnage mikt het dan op de MTM.

Onthoud: het cijfer alleen spreekt over de werkelijke massa, de bestelwagen met tonnage spreekt over de MTM. Het herkennen van die borden staat in module 02.

Veelgemaakte fout
Het ronde bord met alleen een cijfer in ton mikt niet op de MTM op je inschrijvingsbewijs, maar op de werkelijke massa van je voertuig op het moment dat je passeert. Het bord met een bestelwagen en een tonnage mikt wél op de MTM. Dat is de klassieke verwarring op het examen.
10.2
Stap 10.2 op 16

De verlichting en de signalisatie van het voertuig

Verlichting doet meteen twee dingen uit het rooster: ze laat je zien, en ze maakt je zichtbaar. Hier bekijken we elk licht als een stuk uitrusting: waarvoor het dient, en wanneer het moet of net niet mag. Wanneer je welk licht aansteekt bij regen, mist of in het donker, dat staat in module 08, dat schrijven we hier niet over.

Elk licht en zijn rol

  • Standlichten: signaleren je aanwezigheid bij stilstand of in het verkeer, ze verlichten de weg niet.
  • Dimlichten: je basisverlichting 's nachts, reikwijdte van ongeveer 30 meter, zonder anderen te verblinden.
  • Grootlichten: grote reikwijdte, enkel wanneer je niemand verblindt.
  • Mistlichten vooraan: bij mist, sneeuw of hevige regen.
  • Mistachterlicht: verplicht bij mist of sneeuwval die het zicht onder ongeveer 100 meter brengt, en bij hevige regen. Daarbuiten is het verboden, want het verblindt wie achter je rijdt.
  • Remlichten: gaan aan bij het remmen om wie achter je rijdt te verwittigen.
  • Richtingaanwijzers: kondigen je bedoeling aan.
  • Waarschuwingsknipperlichten: de vier richtingaanwijzers samen, om een gevaar of een gedwongen stilstand te signaleren.
  • Achteruitrijlichten: wit, ze signaleren dat je achteruitrijdt.
  • Nummerplaatverlichting: wit, ze maakt de achterste nummerplaat leesbaar 's nachts.
Illustratie in voorbereidingElk licht heeft een naam en een rol. Ze kunnen benoemen is weten welk je ontsteekt en welk je mijdt.
Illustratie in voorbereidingEen memo per situatie. Het detail van de drempels en de voorwaarden staat in module 08.

De dagrijlichten

De dagrijlichten (DRL) zitten sinds 2011 standaard op de auto's. Ze maken je overdag beter zichtbaar, maar let op: ze verlichten de achterkant van het voertuig niet en vervangen de dimlichten niet wanneer het zicht daalt. 's Nachts rijden met alleen de dagrijlichten, dat is onzichtbaar zijn van achteren.

De reflectoren

Dat zijn de weerkaatsers die het licht van de koplampen van een ander voertuig terugkaatsen: rood aan de achterkant, ze zorgen voor je passieve zichtbaarheid, zelfs met uitgeschakelde motor. Een aanhangwagen voegt er achteraan bij, in driehoekige vorm (punt 10.11).

De nummerplaat

De Belgische nummerplaat, donkerrode tekens op een retroreflecterende witte achtergrond, moet leesbaar, goed bevestigd en achteraan verlicht blijven. Ze afdekken, ze zo vuil maken dat ze onleesbaar wordt of de tekens ervan wijzigen is een overtreding. ZF

De claxon

Het geluidstoestel dient enkel om een ongeval te vermijden, en zo kort mogelijk. In de bebouwde kom gebruik je het alleen bij gevaar. 's Nachts vervang je het, behalve bij dreigend gevaar, door korte lichtsignalen. Het dient nooit om je ergernis te uiten.

Veelgemaakte fout
De dagrijlichten vervangen de dimlichten niet: ze verlichten de achterkant van het voertuig niet. 's Nachts rijden met alleen de dagrijlichten maakt je onzichtbaar voor wie achter je rijdt.
10.3
Stap 10.3 op 16

De banden

Bekijk je vier banden eens goed, want alles gaat langs daar. Ze zijn de enige contactpunten tussen je wagen en de weg, elk amper groter dan een postkaart. Remmen, sturen, grip houden: het hangt allemaal aan die vier afdrukken.

Een band lezen

Buig je even over de flank van je band: alles staat erop. Je leest er eerst de maat, van het type 205/55 R16: de breedte, de hoogte van de flank, dan de diameter van de velg. Daarna komt de belastingsindex, het maximale gewicht dat die band kan dragen. En ten slotte de snelheidsindex, een letter die zegt tot welke snelheid hij ontworpen is.

Vervang je een band, dan monteer je altijd minstens het gelijkwaardige van het origineel.

Illustratie in voorbereidingAlles staat op de flank: maat, belastingsindex, snelheidsindex. Je moet het gewoon leren lezen.

De fabricagedatum

De DOT-markering eindigt op vier cijfers: de eerste twee geven de week, de laatste twee het jaar. Zo betekent 2823 de 28e week van 2023. Dat is belangrijk, want een band veroudert ook zonder te rijden: het rubber verhardt en barst met de tijd. Een nieuwe band die je koopt maar die jaren geleden gemaakt is, is dus niet echt nieuw.

Illustratie in voorbereidingDe laatste vier cijfers van de DOT: week en jaar van fabricage. Een band veroudert ook zonder te rijden.

De slijtage en de indicator

Een versleten band grijpt niet meer, zeker op een nat wegdek. De diepte van de groeven mag nooit onder 1,6 mm zakken over de hele breedte. Om dat zonder gereedschap na te gaan, zoek je de slijtage-indicator (TWI): kleine rubberen verhogingen onderin de groeven. Wanneer het loopvlak van de band tot op die verhogingen komt, is de grens bereikt en moet de band vervangen worden. Rijden met te versleten banden is een overtreding en een reden tot afkeuring op de technische keuring. ZF

Illustratie in voorbereidingDe slijtage-indicator, onderin de groeven: raakt het rubber hem, dan blijft er 1,6 mm over, de wettelijke grens.
Illustratie in voorbereidingLinks de grip, rechts het gevaar. Het verschil zit in enkele millimeters rubber.

Wat verboden is op een band

Op een personenwagen is het verboden om de groeven na te snijden (opnieuw uit te diepen) om een versleten band te verlengen. En op eenzelfde as moeten de twee banden identiek zijn (zelfde maat, zelfde type): je mag geen radiaalband en een diagonaalband mengen, en evenmin banden met verschillende kenmerken.

De spanning

Een goede spanning betekent grip, een gelijkmatige slijtage, minder verbruik en geen risico op klappen. De aanbevolen waarde is die van de constructeur: je vindt ze op een etiket in de deuropening van de bestuurder of op het brandstofklepje, en in het boekje. Controleer ze bij koude banden (een warme band vervalst de meting), ongeveer een keer per maand en vóór een lange rit.

Winter-, vierseizoens- en spijkerbanden

In België zijn winterbanden niet verplicht (ze worden aanbevolen onder 7 graden), en spijkerbanden zijn slechts bij uitzondering toegelaten, met verlaagde snelheden. De exacte periodes en snelheden staan in module 04.

Het reservewiel en het wiel vervangen

Kijk na wat jouw wagen meeneemt, want er zijn drie gevallen. Een gewoon reservewiel, dat je monteert en dat je overal weer thuisbrengt. Een noodwiel, dat smalle reservewiel voor pech, meestal beperkt tot 80 km/u en over een korte afstand. Of gewoon een bandenreparatiekit, spuitbus en compressor, die je enkel voorlopig depanneert.

Om veilig een wiel te vervangen: parkeer op een vlakke ondergrond, zet de handrem op, laat iedereen uitstappen. Draai de bouten lichtjes los vóór het opkrikken, anders draait het wiel in het luchtledige mee. Krik op, neem het wiel af, monteer het nieuwe. Span de bouten daarna kruisgewijs aan, nooit in een cirkel: zo verdeel je de druk gelijkmatig en centrumer je het wiel.

Illustratie in voorbereidingJe spant kruisgewijs aan, nooit in een cirkel: de druk verdeelt zich en het wiel centrumert.

Voor de grip en het aquaplaning, zie tot slot module 04.

Veelgemaakte fout
Een nieuwe band is misschien niet nieuw: kijk naar de DOT. Als hij jaren geleden gemaakt is, is zijn rubber al verouderd en verhard, ook al heeft hij nooit gereden. De datum weegt even zwaar als het uiterlijk.
10.4
Stap 10.4 op 16

De remmen en de stuurinrichting

Twee onderdelen die de derde vraag van het rooster beantwoorden: kan ik stoppen, en kan ik sturen. Wacht de panne niet af. Je ziet ze aankomen aan de signalen.

Het remmen

Wanneer je remt, knijpen remblokken een remschijf vast die met het wiel meedraait, en zetten ze de beweging om in warmte. De bediening loopt via een remvloeistof onder druk. Die vloeistof heeft een bijzonderheid: ze neemt met de tijd vocht op uit de lucht, waardoor haar kookpunt daalt. Te oud kan ze beginnen koken door de warmte van een stevige rembeurt, luchtbellen vormen en het pedaal slap maken. Daarom vervang je ze periodiek.

De alarmtekenen van de remmen

  • Een sponzig rempedaal of een pedaal dat verder wegzakt dan gewoonlijk: lucht of vocht in het circuit.
  • Een geknars of een schel gefluit bij het remmen: versleten remblokken.
  • De wagen die bij het remmen naar één kant trekt: een ongelijke slijtage of een klemmende remklauw.
  • Een trilling in het stuur of het pedaal: vervormde remschijven.
  • Een verklikkerlicht dat brandt: een laag peil of een defect, meteen te laten nakijken.

Bij een remdefect tijdens het rijden hangt de te volgen handelwijze af van het systeem, en ze staat uitgewerkt in module 08.

Fading: wanneer je remmen ophouden te remmen

Een rem zet beweging om in warmte. Zolang hij tussen twee remstoten kan afkoelen, is er niets aan de hand. Maar hou je je voet er lang op, bijvoorbeeld in een lange afdaling, dan loopt de temperatuur op tot de remvoering niet meer pakt. Dat heet fading, en het gebeurt zonder waarschuwing: het pedaal wordt zacht, je wagen vertraagt niet meer.

Twee reflexen voorkomen het. Je remt met korte, stevige aanzetten in plaats van te slepen, en je laat de motorrem de wagen tegenhouden door terug te schakelen. Voel je het pedaal langer worden, dan stop je en laat je afkoelen: water op een gloeiende schijf zou ze doen barsten.

Het remcircuit

Je wagen heeft niet één rem, maar drie functies, en het examen houdt van dat onderscheid. De bedrijfsrem, het pedaal, gebruik je tijdens het rijden. De hulprem neemt over als de eerste het begeeft. De parkeerrem, mechanisch (een hendel of een pedaal) of elektronisch (een knop), houdt de wagen stil bij stilstand: op de meeste wagens werkt hij op de achterwielen en doet hij ook dienst als hulprem.

Het circuit is hydraulisch en dubbel uitgevoerd: begeeft één leiding het, dan blijft de helft van je remwerking over, meestal diagonaal verdeeld. Daarom moet een pedaal dat abnormaal diep wegzakt je dezelfde dag naar de garage sturen.

De stuurinrichting

De stuurinrichting vertaalt de beweging van het stuur in een hoek van de wielen. Zowat alle wagens hebben een stuurbekrachtiging die de kracht verlicht. Het slijtageteken dat je moet kennen is de speling op het stuur: als je het stuur over een zekere hoek moet draaien vóór de wielen reageren, of als de wagen niet recht blijft zonder voortdurende correcties, laat dan de stuurinrichting nakijken.

De schokdempers en de ophanging

Je vergeet ze, en toch zijn ze essentieel: hun rol is de band in contact met de weg te houden. Versleten schokdempers laten het wiel opveren, wat de wegligging aantast en de remafstand verlengt. De tekenen: de wagen die na een verkeersdrempel meermaals opveert, die bij het remmen naar voren duikt of in de bocht schommelt, en een onregelmatige slijtage van de banden.

Veelgemaakte fout
Versleten schokdempers zie je niet, maar ze verlengen je remafstand: het wiel veert op in plaats van tegen de weg geplakt te blijven. Veert de wagen meermaals op na een verkeersdrempel, laat ze dan nakijken.
10.5
Stap 10.5 op 16

Onder de motorkap: de peilen en de vloeistoffen

Je hoeft geen mecanicien te zijn om een paar peilen op te volgen. Het zijn kleine handelingen, en ze houden grote pannes weg.

De motorolie

De olie is van levensbelang voor je motor, en ze doet vijf dingen tegelijk. Ze smeert de bewegende delen en ze koelt de zones af die de koelvloeistof niet bereikt. Ze reinigt, door de onzuiverheden naar de filter te voeren, en ze beschermt tegen corrosie. Ten slotte verzekert ze de dichtheid tussen de zuiger en de cilinder.

Onthoud die vijf: het is een klassieke examenvraag.

Om de peilstok goed af te lezen: koude motor (of enkele minuten stilgelegd), wagen op een vlakke ondergrond. Trek de peilstok uit, veeg hem af, steek hem er volledig terug in, trek hem er weer uit en lees af: het peil moet tussen de merktekens mini en maxi liggen.

Illustratie in voorbereidingKoude motor, op een vlakke ondergrond: afvegen, terugsteken, aflezen. Het peil moet tussen mini en maxi blijven.
Illustratie in voorbereidingOnder de motorkap leer je de reservoirs herkennen: ruitensproeier, koelvloeistof, remvloeistof, en de oliepeilstok.

De koelvloeistof

Ze stroomt door de motor om zijn temperatuur op peil te houden, en regelt zich in het expansievat, waar haar peil tussen mini en maxi moet blijven. Eén absolute veiligheidswaarschuwing: open de dop nooit wanneer de motor warm is. Het circuit staat onder druk, en de kokende vloeistof kan eruit spuiten en je verbranden. Je wacht tot alles afkoelt.

De remvloeistof en de ruitensproeier

De remvloeistof neemt, zoals gezien, vocht op en wordt periodiek vervangen (punt 10.4). De ruitensproeiervloeistof, vaak verwaarloosd, is onmisbaar om zicht te houden: hou het reservoir vol, en gebruik 's winters een antivriesvloeistof, anders bevriest het water in de sproeiers en sta je op het slechtste moment zonder projectie.

De accu en de startkabels

De accu levert de elektriciteit om te starten en de uitrusting te voeden. Tekenen van zwakte: een startmotor die moeite heeft, lichten die verzwakken, een moeizame start bij koud weer. Is ze leeg, dan kun je starten met kabels en een andere accu. De volgorde telt, voor je veiligheid:

  1. Rode klem op de pluspool (+) van de lege accu.
  2. Andere rode klem op de pluspool (+) van de hulpaccu.
  3. Zwarte klem op de minpool (-) van de hulpaccu.
  4. Laatste zwarte klem op een blank metalen deel van het defecte voertuig (het motorblok), nooit op de minpool van de lege accu.

Waarom dat laatste punt? Een lege accu geeft waterstof af; de laatste klem op afstand aansluiten houdt de kleine vonk weg van die gassen en vermijdt elk ontploffingsrisico. Om af te koppelen ga je in de omgekeerde volgorde te werk.

Illustratie in voorbereidingRood op de pluspolen, zwart op de minpool van de hulpaccu, dan de laatste zwarte klem op een metalen massa, nooit op de minpool van de lege accu.

De andere onderdelen

Drie onderdelen die je niet zelf onderhoudt, maar waarvan de naam kan vallen. De riem, van de distributie of de accessoires, drijft essentiële onderdelen aan en wordt volgens het boekje vervangen. De luchtfilter beschermt de motor tegen onzuiverheden. En de bougies ontsteken het mengsel, op een benzinemotor. Een overgeslagen onderhoud aan die stukken kost meer dan het bespaart.

Veelgemaakte fout
Open de dop van het koelcircuit nooit bij een warme motor: het circuit staat onder druk, en de kokende vloeistof kan eruit spuiten en je verbranden. Wacht altijd tot de motor is afgekoeld.
10.6
Stap 10.6 op 16

De motor en de aandrijvingen

Je moet geen motor kunnen herstellen. Maar snap je het principe, dan spaar je hem én haal je er examenvragen mee binnen.

De viertaktmotor

De meeste motoren werken in vier takten, vier fasen die zich herhalen:

  1. Inlaat: de zuiger daalt en zuigt het mengsel van lucht en brandstof aan.
  2. Compressie: de zuiger stijgt en perst dat mengsel samen.
  3. Verbranding (of arbeidsslag): het mengsel ontbrandt en duwt de zuiger naar beneden. Het is de enige arbeidstakt, die de kracht levert.
  4. Uitlaat: de zuiger stijgt en drijft de verbrande gassen uit.

Een simpel beeld: de motor zuigt, perst, knalt, blaast. Die vier woorden, in die volgorde, zijn het verwachte antwoord op het examen.

Illustratie in voorbereidingZuigen, persen, knallen, blazen: de vier takten, op volgorde. Enkel de verbranding levert de kracht.

Benzine en diesel

De twee verschillen in de manier waarop ze het mengsel ontsteken. Bij benzine maakt een ontstekingsbougie een vonk die het samengeperste mengsel aansteekt. Bij diesel is er geen vonk: de lucht alleen wordt zo sterk samengeperst dat ze gloeiend heet wordt, en de ingespoten diesel ontbrandt vanzelf bij contact. De dieselmotor heeft gloeibougies, die de kamer opwarmen om koud te starten: verwar ze niet met de ontstekingsbougies van de benzine.

Elektrisch en hybride

Een elektrische motor wordt gevoed door een accu; een hybride combineert een thermische en een elektrische motor. Een interessant technisch punt is het recuperatief remmen: bij het vertragen draait de elektrische motor omgekeerd, als generator, en zet hij de energie van de beweging om in elektriciteit die hij naar de accu terugstuurt. Hij remt dus de wagen af terwijl hij hem herlaadt, wat de remmen ontziet. Bij lage snelheid zijn die voertuigen heel stil, een gevaar voor voetgangers dat aan bod komt in module 07.

De versnellingsbak

De manuele versnellingsbak laat je de versnellingen kiezen met de koppeling; de automatische bak doet het in jouw plaats. Leg je je examen af met een automatische versnellingsbak, dan draagt je rijbewijs de code 78 en beperkt het je tot dat type voertuig. Een nuttige reflex: bij het afdalen een versnelling ingeschakeld laten om de motorrem te gebruiken in plaats van de remmen te verhitten.

De brandstoffen en het milieu

Elk voertuig heeft een EURO-norm die zijn uitstoot meet. Op basis daarvan hebben verschillende Belgische steden een lage-emissiezone (LEZ) ingevoerd. In Vlaanderen zijn dat Antwerpen en Gent; ook Brussel heeft er een. De toegang is er voorbehouden voor voldoende recente voertuigen, en de nummerplaten worden automatisch gescand. Let op, België werkt met de EURO-norm, niet met een vignet dat je op de voorruit kleeft zoals bij onze zuiderburen. De regels verschillen van gewest tot gewest.

Veelgemaakte fout
De Belgische LEZ's werken niet met een gekleurd vignet op de voorruit, in tegenstelling tot Frankrijk. In België bepaalt de EURO-norm van je voertuig, automatisch afgelezen via de nummerplaat, de toegang.
10.7
Stap 10.7 op 16

De elektronische hulpsystemen en het dashboard

Je dashboard praat de hele tijd tegen je, met zijn verklikkerlichten. Je moet zijn taal alleen nog verstaan, en die zit vooral in de kleuren.

De logica van de kleuren

Nog vóór je elk symbool kent, laat deze logica je reageren op een onbekend verklikkerlicht:

  • Rood: gevaar of ernstige afwijking, je moet meteen ingrijpen.
  • Oranje (geel): afwijking die je moenten nakijken; de wagen rijdt vaak nog.
  • Groen of blauw: gewoon informatie, een functie is actief (lichten, richtingaanwijzer, cruisecontrol).

Het is de logica van het driekleurige verkeerslicht, toegepast op het dashboard.

Illustratie in voorbereidingRood, ik grijp meteen in; oranje, ik laat het nakijken; groen of blauw, informatie. De logica van het driekleurige verkeerslicht.

Wat te doen wanneer een verklikkerlicht aangaat

Hier is de te volgen handelwijze, in drie reactieniveaus. Dat is wat je op een dag echt zult opzoeken.

ReactieBetrokken verklikkerlichten
Ik stop onmiddellijk en zet de motor afOliedruk, motortemperatuur (oververhitting), remmen, brandalarm. Doorrijden betekent de motor vernielen of de remmen verliezen.
Ik stop zo snel mogelijk, in alle veiligheidAccu en lading, stuurbekrachtiging, airbag, motorverklikker die knippert.
Ik mag doorrijden maar laat het nakijkenMotorverklikker die vast brandt, ABS, ESP, slijtage van de remblokken, bandenspanning.

Geen paniek als de bekrachtiging uitvalt

Verlies je de stuurbekrachtiging of de rembekrachtiging, dan is het voertuig niet onbestuurbaar: de stuurinrichting en de remmen blijven mechanisch aanwezig, maar vragen veel meer kracht. Het stuur wordt hard, het rempedaal ook. De goede reflex: niet in paniek raken, vertragen, harder duwen, en aan de kant gaan.

Illustratie in voorbereidingLeer de verklikkerlichten herkennen, en vooral hun kleur: die bepaalt hoe dringend je moet reageren.

De rijhulpsystemen

Je wagen is misschien uitgerust met verschillende systemen. Hier geven we het technische principe; hun grenzen en de manier om ermee te rijden staan in module 08.

  • ABS belet dat de wielen blokkeren bij het remmen, waardoor je kunt blijven sturen terwijl je hard remt.
  • ESP (stabiliteitscontrole) detecteert een begin van slippen en remt één wiel af om je weer in het spoor te brengen.
  • De automatische noodrem kan remmen voor een obstakel, de rijstrookassistent brengt je terug in je strook, de dodehoekdetectie waarschuwt je voor een voertuig opzij, de achteruitrijcamera helpt je manoeuvreren.

Drie hulpsystemen gaan over snelheid, en ze worden vaak verward. De cruisecontrol houdt vanzelf de snelheid aan die jij gekozen hebt: je voet mag van het gaspedaal. De snelheidsbegrenzer laat je gewoon versnellen, maar belet je boven het plafond te gaan dat jij hebt ingesteld. En de ISA, de intelligente snelheidsaanpassing, leest de borden en de kaart en verwittigt je zodra je boven de geldende limiet gaat; ze zit standaard in elke nieuwe wagen die sinds juli 2024 in de Europese Unie verkocht wordt. Geen van de drie ontslaat je ervan zelf naar de borden te kijken.

Het hulpsysteem is niet de bestuurder

Die systemen helpen, ze vervangen de bestuurder niet, en ze hebben grenzen (zie module 08). Onthoud ook dit: een brandend hulpverklikkerlicht (ABS, ESP) betekent vaak dat het systeem uitgeschakeld is, dus dat je er niet meer op kunt rekenen. Wees dan dubbel voorzichtig.

Veelgemaakte fout
Een brandend ABS- of ESP-verklikkerlicht betekent niet dat het systeem werkt: het betekent meestal dat het defect en uitgeschakeld is. Je kunt er dus niet meer op rekenen, extra voorzichtigheid.
10.8
Stap 10.8 op 16

Het zicht en het interieur

De eerste vraag van het rooster, zie ik wel, wordt hier grotendeels beslist. Goed zien is de halve rijtaak.

De voorruit

Voor je vertrekt, moet je alle ruiten vrijmaken, niet alleen een cirkeltje voor het stuur: condens, rijm of sneeuw moeten verdwijnen. Een ster of een barst in je gezichtsveld, de zone die de ruitenwissers voor je uitvegen, is niet onschuldig: het is een reden tot afkeuring op de technische keuring, en een schilfertje kan plots uitgroeien. Een voorruit die in die zone geraakt is, wordt hersteld of vervangen.

De ruitenwissers

Versleten wisserbladen laten sporen en niet-geveegde zones na, gevaarlijk in de regen of tegen de zon in. De tekenen: strepen, geknars, gebarsten rubber. Je vervangt ze zodra ze niet meer proper vegen, het is simpel en goedkoop. En je houdt altijd ruitensproeiervloeistof in het reservoir.

Illustratie in voorbereidingEen versleten wisserblad laat strepen na, net in je gezichtsveld. Je vervangt het zodra het niet meer proper veegt.

De getinte ruiten

De wet legt een minimale lichtdoorlatendheid op vooraan, zodat je naar buiten ziet en anderen jou binnenin zien. De voorruit moet minstens 75 % van het licht doorlaten, de voorste zijruiten minstens 70 %. De achterste ruiten mogen vrij getint worden als de wagen twee buitenspiegels heeft. Een te donkere film vooraan leidt tot een afkeuring op de technische keuring en een overtreding.

Het ontwasemen

Tegen de condens zijn de ontwaseming en de airco je beste bondgenoten: de airco droogt de lucht en maakt de ruit veel sneller vrij dan een doek, die ze alleen maar uitsmeert. Gebruik ze ook 's winters om te ontwasemen.

Wat het zicht niet mag hinderen

Je gezichtsveld moet vrij blijven: geen voorwerpen op het dashboard, geen slecht geplaatste gps die de weg verbergt, geen stickers of hangertje dat aan de spiegel bengelt. Alles wat beweegt of afdekt, ook maar een beetje, leidt af en verbergt.

Veelgemaakte fout
Een cirkeltje vrijmaken in de rijm volstaat niet: de wet legt een volledig zicht op. Een barst in de zone die de ruitenwissers voor je uitvegen doet je zakken op de technische keuring, ook al is ze klein.
10.9
Stap 10.9 op 16

De gordel en de beveiligingssystemen

Hier gaat het over de technische kant van de gordel, de airbag en de zitjes. Wie zich moet vastmaken en waar een kind hoort, staat al in module 07: die herhalen we niet, we vullen aan.

Waarom de gordel werkt

Bij een botsing stopt de wagen pal, maar je lichaam gaat door aan de snelheid waaraan het reed. De gordel houdt je vast aan de zetel en verdeelt de kracht over de stevige delen van het lichaam, het bekken en de borstkas, in plaats van je tegen de voorruit of het stuur te laten smakken. Om een idee te geven van het geweld: een botsing aan 50 km/u zonder gordel komt overeen met een val van de derde verdieping, een meter of tien. Niemand springt uit dat raam; het is nochtans exact dezelfde klap.

Illustratie in voorbereidingDe band laag over de heupen, de diagonaal vlak over de schouder, nooit over de buik of in de hals. Een slecht omgedane gordel kwetst in plaats van te beschermen.

Wat er in een gordel zit

Een gordel is geen gewone band. Hij bevat een traagheidsoproller: die laat je vrij bewegen, maar een gewichtje blokkeert hem meteen zodra er een bruuske vertraging is. Daarom kan je rustig naar het handschoenenkastje leunen, en blokkeert de band als je er in één ruk aan trekt.

Veel wagens voegen er twee systemen aan toe. De gordelspanner haalt de speling er bij een botsing in enkele milliseconden uit, om je tegen de zetel te drukken vóór je lichaam naar voren schiet. De krachtbegrenzer doet net erna het omgekeerde: hij laat de band heel lichtjes vieren, zodat de gordel je zelf niet verwondt.

Praktisch gevolg: een gordel die een botsing heeft opgevangen, heeft zijn rol één keer gespeeld en moet vervangen worden, ook al lijkt hij ongeschonden. En een gedraaide band concentrumert de kracht op enkele centimeters in plaats van ze te spreiden: dat is de technische reden achter het gebaar dat je altijd opnieuw te horen krijgt.

De airbag vult de gordel aan

Eén essentieel punt: de airbag vult de gordel aan, hij vervangt hem niet. Hij ontplooit zich razendsnel, en zonder gordel om je vast te houden kan hij je kwetsen in plaats van je te beschermen. Vandaar een groot gevaar dat je moet kennen: een achterwaarts gericht kinderzitje geplaatst voor een actieve passagiersairbag is levensgevaarlijk, want de airbag zou de schaal van het zitje treffen op de plaats van het hoofd van het kind. In dat geval moet je de passagiersairbag uitschakelen (met een sleutelschakelaar, vaak in het handschoenkastje of op de flank van het dashboard). Kan de airbag niet uitgeschakeld worden, dan plaats je het achterwaartse zitje niet op die plaats.

Illustratie in voorbereidingAchterwaarts zitje + actieve airbag = levensgevaarlijk. Je schakelt de passagiersairbag uit, of je zet het zitje niet op die plaats.

De systemen voor kinderen

Technisch gezien moet een kind dat kleiner is dan 135 cm en jonger dan 18 jaar vervoerd worden in een kinderbeveiligingssysteem aangepast aan zijn grootte. Twee homologatienormen worden aanvaard in België: de oudere ECE R44/04, gebaseerd op het gewicht van het kind, en de recentere R129, i-Size genoemd, gebaseerd op de grootte en met voorkeur voor de ISOFIX-bevestiging. Sinds september 2024 mogen alleen nog nieuwe zitjes met R129-homologatie verkocht worden, maar een R44/04-zitje dat je al bezit, blijft bruikbaar.

De vrijstellingen

De gordel kent vijf precieze vrijstellingen, uitgewerkt in module 07: de bestuurder tijdens het achteruitrijden, de taxichauffeur in dienst, de inzittenden van een prioritair voertuig in de precieze gevallen van module 07, de personen met een officiële medische vrijstelling afgeleverd door de FOD Mobiliteit, en de postbedeler die voortdurend stopt over korte afstanden. Die medische vrijstellingen zijn trouwens aangescherpt: de oude, afgeleverd vóór maart 2022, hielden begin 2026 op geldig te zijn, en voortaan heb je een vrijstelling nodig die up-to-date is. Let ook op een valstrik uit Frankrijk: de zwangerschap is geen vrijstelling. De zwangere vrouw draagt de gordel, met de band gewoon laag onder de buik over het bekken, en de diagonaal tussen de borsten.

De niet-vastgezette voorwerpen

Een zwaar voorwerp op de hoedenplank of in het interieur wordt een projectiel bij een botsing of een bruusk remmen. Je bergt op en zet vast wat kan wegvliegen.

Veelgemaakte fout
Zwanger zijn is in België geen vrijstelling van de gordel, anders dan een idee dat uit Frankrijk overwaait. Ook een zwangere vrouw maakt zich vast: de band laag onder de buik, de diagonaal tussen de borsten. De hulpstukken die je online koopt, zijn niet gehomologeerd.
10.10
Stap 10.10 op 16

De lading

Laad je slecht, dan hinder je je eigen zicht, dek je je lichten af, verlies je iets op de weg of breng je de wagen uit balans. Daarom legt de wet precieze grenzen op.

De maximale afmetingen

Lading inbegrepen mag een voertuig niet meer dan 2,55 m breed noch 4 m hoog zijn. Wat de lengte betreft, is de regel van het uitsteken een examenklassieker:

  • Vooraan: de lading mag niet uitsteken voorbij het uiteinde van het voertuig.
  • Achteraan: ze mag in het algemeen 1 meter uitsteken, en tot 3 meter voor een ondeelbaar stuk (een ladder, planken). Voor een tweewieler is de grens 0,50 m.
Illustratie in voorbereidingBreedte 2,55 m, hoogte 4 m, niets steekt vooraan uit, een meter achteraan (drie voor een ondeelbaar stuk).

Signaleren wat uitsteekt

Zodra je lading meer dan een meter achteraan uitsteekt, moet je ze signaleren. Het bord ligt vast: een vierkant van 50 cm zijde, met rode en witte schuine strepen, de rode retroreflecterend. Je bevestigt het op het achterste deel van wat uitsteekt. 's Nachts of bij slecht zicht voeg je een rood licht en een oranje reflector naar achteren toe, geplaatst tussen 0,40 m en 1,60 m van de grond. ZF

Illustratie in voorbereidingHet reglementaire bord: vierkant van 50 cm, rood-witte schuine strepen, retroreflecterend. 's Nachts voeg je een rood licht toe.

Vastzetten en verdelen

De lading moet stevig vastgezet zijn: ze mag niet vallen, niet slepen, de stuurinrichting niet hinderen, en de lichten en de nummerplaat niet afdekken. De manier om met een lading te rijden en het detail van het vastsjorren staan in module 08. Wat de verdeling betreft, één principe: het gewicht plaats je laag en naar voren, nooit hoog noch helemaal achteraan, anders wordt je besturing te licht en verleng je de remafstand.

Illustratie in voorbereidingHet zware onderaan en naar voren, tegen de rugleuning. Hoog opgestapeld of helemaal achteraan wordt de wagen instabiel.

Het dak en de bijzondere voorwerpen

Een lading op het dak of een dakkoffer verhoogt het zwaartepunt en vergroot de windvang: de wagen helt meer over in de bocht en verbruikt meer. Voor fietsen op een fietsendrager let je erop dat de nummerplaat en de lichten niet afgedekt zijn: is dat wel zo, dan heb je een tweede nummerplaat en bijkomende lichten op de fietsendrager nodig. Lange voorwerpen signaleer je zoals hierboven gezien, en het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt slechts in heel kleine hoeveelheden geduld, voor huishoudelijk gebruik.

Veelgemaakte fout
Vooraan mag de lading nooit voorbij het uiteinde van het voertuig uitsteken; achteraan volstaat een meter om de verplichting tot signalisatie met het vierkante rood-witte bord in gang te zetten. Onthoud voor de twee uiteinden dus niet hetzelfde cijfer.
10.11
Stap 10.11 op 16

De koppeling en de aanhangwagen

Een aanhangwagen trekken verandert het gedrag van je wagen, en of je het mag hangt af van je rijbewijs. Eerst moet je drie massa's uit elkaar houden.

De definities

  • De massa van de aanhangwagen: zijn eigen MTM.
  • De massa van de sleep: het totaal van het trekkende voertuig en de aanhangwagen.
  • De kogeldruk: het verticale gewicht dat de dissel van de aanhangwagen op de koppeling uitoefent.

Wat rijbewijs B toelaat

De drempels worden vaak getest, onthoud ze goed:

  • Een aanhangwagen tot 750 kg MTM: altijd toegelaten met rijbewijs B.
  • Een aanhangwagen van meer dan 750 kg: rijbewijs B volstaat zolang de massa van de sleep niet boven 3500 kg gaat.
  • Gaat de sleep boven 3500 kg zonder 4250 kg te overschrijden: dan heb je de code 96 (B96) nodig, verkregen via een opleiding, zonder nieuw volledig examen.
  • Daarboven: dan heb je rijbewijs BE nodig.
Illustratie in voorbereidingTot 750 kg of een sleep onder 3500 kg volstaat rijbewijs B; tussen 3500 en 4250 kg sleep de code 96; daarboven rijbewijs BE.

De kogeldruk: het slingeren begint bij henden

Een aanhangwagen die bij hoge snelheid begint te slingeren (van links naar rechts schommelen) is bijna altijd slecht geladen. Het gewicht moet vóór de as van de aanhangwagen geplaatst worden, om lichtjes op de kogel te drukken, en niet achteraan, wat de voorkant verlicht en het slingereffect in gang zet. De juiste kogeldruk staat op de plaat van de koppeling en in het boekje van het voertuig: het is een probleem van laden vóór het een probleem van rijden is. Het gedrag aan het stuur met een aanhangwagen staat uitgewerkt in module 08.

Hoe een aanhangwagen remt

Een aanhangwagen tot 750 kg MTM mag zonder remmen zijn: het is je auto die de hele sleep tot stilstand brengt, en je remweg wordt navenant langer. Boven 750 kg moet de aanhangwagen over zijn eigen remsysteem beschikken, dat werkt wanneer jij remt.

Het gangbare systeem heet oplooprem, en het principe is vernuftig: wanneer je remt, rijdt de aanhangwagen door op zijn vaart en duwt hij tegen de dissel; die beweging van enkele centimeters bedient zijn eigen remmen. Hij remt dus harder naarmate jij harder remt, zonder enige elektrische bediening.

Twee concrete gevolgen. Bij achteruitrijden duwt de aanhangwagen ook tegen de dissel: een mechanisme herkent dat en belet dat de remmen blokkeren, maar op oudere modellen moet je soms een hendel vergrendelen. En een breekkabel verbindt de aanhangwagen met je auto: begeeft de koppeling het, dan trekt die kabel de rem van de aanhangwagen aan en brengt hem tot stilstand in plaats van hem alleen te laten vertrekken.

De uitrusting van de aanhangwagen

De aanhangwagen moet lichten in goede staat hebben (stand, rem, richtingaanwijzers), driehoekige reflectoren achteraan (het is die driehoek die 's nachts een aanhangwagen aanduidt), en de nummerplaat van het trekkende voertuig herhalen. Controleer hun werking vóór je vertrekt, door de stekker aan te sluiten.

Snelheid en gedrag

Met een aanhangwagen behoud je in principe dezelfde snelheidsbeperkingen als de wagen alleen, zolang de sleep onder 3500 kg blijft; daarboven is de autosnelweg beperkt tot 90 km/u. Het detail van de snelheden staat in module 04.

Veelgemaakte fout
Wat telt om te weten of rijbewijs B volstaat, is niet alleen het gewicht van de aanhangwagen, maar de massa van de SLEEP. Een kleine aanhangwagen achter een grote wagen kan samen al boven 3500 kg uitkomen, en dan heb je code 96 nodig.
10.12
Stap 10.12 op 16

De technische keuring en de voertuigdocumenten

Op de technische keuring gaat de overheid na of je voertuig veilig is, voor jou en voor de anderen. Weet je op voorhand hoe het verloopt, dan sta je er niet voor verrassingen.

De periodiciteit

Een personenwagen gaat een eerste keer naar de keuring op de dag dat hij 4 jaar oud wordt. Daarna geldt in principe een keuring elk jaar. Maar elk van de drie gewesten geeft een ritme van twee jaar aan een jonge wagen met weinig kilometers, die op tijd wordt aangeboden en met een groen keuringsbewijs buitenrijdt. Deze materie is geregionaliseerd: de drempels voor leeftijd en kilometerstand verschillen van gewest tot gewest en verschuiven geregeld.

GewestRitme van twee jaar als
BrusselWagen van minder dan 6 jaar en minder dan 100.000 km.
WalloniëWagen van minder dan 8 jaar en minder dan 110.000 km.
VlaanderenHet ruimste stelsel, en Vlaanderen is bezig elke voorwaarde inzake leeftijd en kilometerstand te schrappen.

In alle drie de gevallen verlies je het voordeel als je een aanhangwagen van meer dan 750 kg trekt. Onthoud de logica liever dan de cijfers, die veranderen: eerste keuring op 4 jaar, daarna elk jaar, tenzij je wagen jong genoeg is en weinig genoeg kilometers telt voor het tweejaarlijkse ritme van jouw gewest. Neem vooral het Franse stelsel niet over (voor iedereen om de twee jaar), het geldt hier niet. Rijden met een vervallen keuringsbewijs is een overtreding, behandeld in module 09.

De niet-periodieke keuringen

Naast de periodieke keuring is een keuring ook in bepaalde gevallen vereist: na een zwaar ongeval, of na een ingrijpende wijziging van het voertuig. Daarnaast is een keuring vereist vóór een doorverkoop tussen particulieren, de zogenaamde tweedehandskeuring; voor een ingevoerd voertuig blijft ze eveneens vereist. Na afloop krijg je onder meer het keuringsbewijs en, bij een verkoop, de Car-Pass.

Wat gecontroleerd wordt

De keuring overloopt alles wat met de veiligheid te maken heeft: het remmen, de verlichting en de signalisatie, de banden, de stuurinrichting, de uitstoot, en ook de staat van het koetswerk en het chassis (corrosie, speling). Je vindt daar, één voor één, de verplichtingen uit deze module terug.

De mogelijke resultaten

  • Groen keuringsbewijs: het voertuig is in orde, je rijdt tot de volgende keuring.
  • Rood keuringsbewijs van beperkte duur: er zijn ernstige gebreken te herstellen, met de verplichting om het voertuig opnieuw aan te bieden binnen een termijn (in de orde van 15 dagen).
  • Rood keuringsbewijs: de gebreken zijn zo ernstig dat het voertuig verboden is in het verkeer tot na de herstelling.
Illustratie in voorbereidingBij de technische keuring vind je alle verplichtingen van dit module terug: remmen, lichten, banden, stuurinrichting, uitstoot.

De voertuigdocumenten

Verwar ze niet met de documenten die je bij je moet houden. Het voertuig is verbonden aan een inschrijvingsbewijs, een gelijkvormigheidsattest, een verzekeringsattest (groene kaart) en een keuringsbewijs. De documenten die je bij een politiecontrole moet kunnen voorleggen staan opgesomd in module 09.

De verboden wijzigingen

Je voertuig wijzigen is niet vrij. Verboden of aan homologatie onderworpen zijn: het verwijderen van de roetfilter, het wijzigen van de uitlaat om ze luider te maken, een niet-gehomologeerde verlaging, een niet-conforme verlichting, een overdreven tint op de voorruiten. De gevolgen zijn drievoudig: afkeuring op de technische keuring, voertuig in niet-conformiteit, en vooral problemen met de verzekering bij een ongeval, want de verzekeraar kan zijn waarborg weigeren. Tot slot mag een onbruikbaar of defect voertuig niennger dan een bepaalde termijn op de openbare weg blijven staan.

Veelgemaakte fout
De Belgische keuring werkt niet zoals de Franse (voor iedereen om de twee jaar). Hier blijft het principe een jaarlijkse beurt na de eerste keuring op 4 jaar. Die twee jaar zijn een voordeel, voorbehouden aan jonge wagens met weinig kilometers, en de drie gewesten kennen het niet onder dezelfde voorwaarden toe.
10.13
Stap 10.13 op 16

Je eerste voertuig kopen en onderhouden

Binnen het jaar koopt een groot deel van jullie een eerste tweedehandswagen. Hieronder staan de controles en de verplichtingen. Geen aankoopadvies, geen merken, alleen wat je beschermt.

De Car-Pass

Bij elke verkoop van een tweedehandsvoertuig in België moet de verkoper een Car-Pass overhandigen, een officieel document dat de kilometerhistoriek van het voertuig weergeeft, opgenomen bij elke passage aan de technische keuring en in de garage. Het dient om fraude met de teller te detecteren (een gesjoemelde kilometerstand). Let op wat het wel en niet bewijst: het staaft de kilometers, niet de mechanische staat. Het moet bij de overhandiging minder dan twee maanden oud zijn.

Illustratie in voorbereidingBij aankoop verzamel en controleer je deze documenten: inschrijving, gelijkvormigheid, keuring, Car-Pass, verzekering.

De keuring vóór de verkoop

Bij een verkoop tussen particulieren moet de verkoper je in principe een voertuig met een geldig keuringsbewijs bezorgen. Een wagen die zonder geldige keuring verkocht wordt, schuift de last en het risico van de nodige herstellingen door naar de koper: reken dat mee in de prijs.

Wat je nakijkt vóór je koopt

  • De overeenstemming tussen het chassisnummer en de documenten.
  • De staat van de banden en hun datum (de DOT, punt 10.3).
  • De slijtage van de remmen, eventuele sporen van een lek onder het voertuig.
  • De onderhoudshistoriek (het boekje, de facturen).
  • De samenhang tussen de algemene slijtage en de aangekondigde kilometerstand.

De stappen vóór je rijdt

Voor je met je nieuwe wagen de baan opgaat, moet je hem inschrijven (de nummerplaat verkrijgen) en vooral verzekeren: de verzekering burgerlijke aansprakelijkheid is verplicht vóór elke verplaatsing. Daar komen de belasting op de inverkeerstelling en de verkeersbelasting bij.

Het periodieke onderhoud

Respecteer het onderhoudsboekje en laat de onderhoudsbeurten op de voorziene tijdstippen uitvoeren. Een overgeslagen onderhoud kost bijna altijd meer dan het bespaart: een vergeten olieverversing, een verwaarloosde riem, en de motor is de klos.

Veelgemaakte fout
De Car-Pass bewijst de kilometerstand, niet de mechanische staat van het voertuig. Een eerlijke teller garandeert geen gezonde wagen: de technische controles (banden, remmen, lekken, onderhoud) blijven onmisbaar.
10.14
Stap 10.14 op 16

Milieuvriendelijk rijden en zuinig onderhoud

Soepel rijden spaart je budget, je motor en de lucht. En het is meteen ook veiliger: zuinig rijden en defensief rijden wijzen dezelfde kant op.

De gebaren die besparen

  • Schakel vroeg op: hoog in de toeren gaan verbruikt voor niets. Bij diesel schakel je vóór ongeveer 2000 toeren; bij benzine vóór ongeveer 2500 toeren.
  • Anticipeer in plaats van te remmen: op tijd het gas lossen spaart je remmen en verbruikt minder dan versnellen om dan te remmen.
  • Gebruik de motorrem bij het vertragen, in plaats van op de remmen te blijven.
  • Zet de motor af zodra de stilstand langer dan een twintigtal seconden duurt (veel wagens doen het zelf met de start-stop).
  • Vermijd bruusk versnellen en remmen, dat verspilt energie.
Illustratie in voorbereidingSnelheid, airco, dakkoffer, te zachte banden, nutteloze lading, korte ritten met koude motor: telkens liters extra.

Anticiperen, het gebaar dat het meest bespaart

De post die het meeste brandstof kost, is noch de snelheid noch de airco: het zijn de optrekbewegingen na een remstoot. Telkens als je remt, gooi je energie weg die de motor opnieuw zal moeten leveren.

Vandaar het gebaar dat heel het zuinig rijden samenvat: ver kijken en vroeg gas terugnemen. Een rood licht dat je op honderd meter opmerkt, rijd je uit; hetzelfde licht op twintig meter betaal je met remmen en daarna weer optrekken. Het is precies defensief rijden, en het blijkt ook het zuinigste te zijn.

Wat kost zonder dat je het ziet

Vijf dingen jagen het verbruik omhoog zonder dat je het merkt. Te zachte banden verhogen de rolweerstand, en dat is de gemakkelijkste post om recht te zetten. Een dakdrager of dakkoffer die je buiten de vakantie laat staan, verwoest de aerodynamica, ook leeg. Het nutteloze gewicht dat je het hele jaar in de koffer meesleept, betaal je bij elke start. De airco draait door als je hem vergeet. En de korte ritten met koude motor zijn de duurste van allemaal, want de motor is de hele rit bezig op temperatuur te komen zonder er ooit te geraken.

Bij hoge snelheid wordt de luchtweerstand overheersend: aan 120 rijden in plaats van 130 doet het verbruik veel sterker dalen dan het snelheidsverschil laat vermoeden, want die weerstand stijgt met het kwadraat van de snelheid.

De brandstoffen en het onderhoud

Van de meest naar de minst uitstotende lopen de aandrijvingen van de thermische (benzine, diesel) naar de hybride en de elektrische, waarvan de impact afhangt van de gebruikte elektriciteit. Onthoud tot slot dat een goed onderhouden voertuig minder verbruikt, minder vervuilt en minder pannes heeft: het onderhoud is tegelijk een besparing en een veiligheid.

Veelgemaakte fout
Zuinig rijden is geen extra ecologische verplichting: minder hoog in de toeren gaan, anticiperen en de motor afzetten bij stilstand besparen brandstof en maken het rijden meteen ook zachter en veiliger.
10.15
Stap 10.15 op 16

Slotsamenvatting

Heel de module in vier tabellen: de cijfers, de lichten, het rooster met de drie vragen, en je checklist voor het vertrek.

De cijfers om te kennen

OnderdeelWaardeBasis
Rijbewijs B: max. MTM3500 kg, max. 8 passagiersRijbewijs (KB 23/3/1998)
Profieldiepte van de bandenminimaal 1,6 mmTechnisch reglement
LichtdoorlatendheidVoorruit 75 %, voorste zijruiten 70 %Technisch reglement
Lading: max. breedte / hoogte2,55 m / 4 mWegcode (art. 46)
Uitsteken van de ladingVooraan verboden; achteraan 1 m (3 m ondeelbaar)Wegcode (art. 46-47)
Signalisatiebord van de ladingVierkant 50 cm, rood-wit schuinWegcode (art. 47)
Aanhangwagen met rijbewijs B750 kg, of sleep 3500 kg; B96 tot 4250 kgRijbewijs (KB 23/3/1998)
KinderbeveiligingssysteemVerplicht onder 135 cm en jonger dan 18 jaarWegcode / normen
Technische keuring1e beurt op 4 jaar, daarna elk jaar; ritme van twee jaar mogelijk voor een jonge wagen met weinig kilometers, onder voorwaarden eigen aan elk gewestTechnisch reglement / gewesten

De lichten

LichtWanneer
StandlichtenAanwezigheid, bij stilstand en in het verkeer wanneer vereist
DimlichtenNacht en beperkt zicht; bij het kruisen om niet te verblinden
GrootlichtenVrije en donkere weg; nooit als ze verblinden
Mistlichten vooraanMist, sneeuw of hevige regen
MistachterlichtVerplicht: mist of sneeuw onder 100 m, en hevige regen
WaarschuwingsknipperlichtenGevaar of gedwongen stilstand
Nummerplaatverlichting's Nachts, permanent achteraan

Ik zie, ik word gezien, ik stop

Ik zieIk word gezienIk stop en ik stuur
Lichten (mijn koplampen)Lichten (gezien door anderen)Banden
Ruiten en voorruitNummerplaatRemmen
RuitenwissersReflectorenStuurinrichting en schokdempers
SpiegelsSignalisatie van de ladingMassa's en lading

De checklist van de vertrekcontrole

  • Rondgang rond het voertuig: banden, lichten, nummerplaat, lek, obstakel.
  • Houding: zetel, rugleuning, hoofdsteun op de hoogte van je kruin, spiegels.
  • Gordel vlak, zonder draai, laag over de heupen.
  • Contact: de verklikkerlichten lichten op en doven dan weer; een verklikkerlicht dat blijft branden is een alarm.
  • Ruiten vrijgemaakt, ruitenwissers en ruitensproeier in orde.

* Bronnen van deze module: koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen van auto's (verlichting en signalisatie, banden, remmen, stuurinrichting, beglazing, platen, beveiligingssystemen); koninklijk besluit van 1 december 1975, artikelen 30 en 31 voor het gebruik van de lichten, 44 tot 47 voor passagiers en lading, 81 en 82 voor de verplichte uitrusting aan boord; koninklijk besluit van 23 maart 1998 voor het rijbewijs en zijn categorieën; wet van 21 november 1989 voor de verplichte verzekering. De technische keuring en haar periodiciteit zijn een geregionaliseerde materie: Vlaanderen, Wallonië en Brussel hebben elk hun stelsel, dat van Vlaanderen werd in fasen hervormd tot 2026. De cijfergegevens (periodiciteit, slijtagegrenzen, spanningen) gelden in 2026 en kunnen evolueren. Deze cursus is pedagogisch en vervangt de handleiding van je voertuig niet.

Veelgemaakte fout
Dreun deze module niet op als een lijst cijfers: koppel elke regel aan het rooster ik zie, ik word gezien, ik stop. Een cijfer dat aan zijn functie hangt, vind je terug; een los cijfer vergeet je onder stress.

Theorie gelezen? Test jezelf.

Ga de uitdaging aan met de quiz van deze module — verbeterde vragen, examenstijl.

Doe de quiz van de module →
Discussies over deze module Naar het forum

Nog geen vraag over deze module. Stel de jouwe: ze helpt iedereen die zich hetzelfde afvraagt.

Een vraag stellen